ECLI:NL:HR:2008:BD0684

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10788
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep moeder wegens gebrek aan belang na verstrijken machtiging uithuisplaatsing

De zaak betreft een moeder wiens minderjarige zoon onder toezicht is gesteld en met rechterlijke machtiging uit huis is geplaatst. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn meerdere malen verlengd. Op 14 april 2006 verzocht de Stichting Bureau Jeugdzorg Rotterdam om verlenging van deze maatregelen, welke door de kinderrechter en later het gerechtshof werden toegewezen.

De moeder stelde zich tegen deze verlengingen op en stelde hoger beroep in tegen de beschikking van 9 januari 2007, waarbij de maatregelen opnieuw werden verlengd. Het gerechtshof bekrachtigde deze beschikking op 15 mei 2007. Vervolgens stelde de moeder beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing op 24 mei 2007 is verstreken. Hierdoor heeft de moeder geen belang meer bij haar cassatieberoep. De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. De Hoge Raad verklaart de moeder dan ook niet-ontvankelijk in haar beroep en wijst het cassatieberoep af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de moeder niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

20 juni 2008
Eerste Kamer
07/10788
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder]
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. W.P. den Hertog,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG STADSREGIO ROTTERDAM,
kantoorhoudende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Stichting.
1. Het geding in feitelijke instanties
De minderjarige zoon van de moeder is onder toezicht gesteld en met een rechterlijke machtiging uit huis geplaatst; hij verblijft in een pleeggezin. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn meermalen verlengd.
De Stichting heeft bij verzoekschrift van 14 april 2006 aan de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing wederom te verlengen.
De moeder heeft het verzoek bestreden.
Bij beschikking van 16 mei 2006 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 24 juli 2006 en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij beschikking van 20 juli 2006 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 24 mei 2007.
In verband met een door de Stichting aangevraagd gedragskundig onderzoek heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 december 2006.
Bij beschikking van 30 november 2006 is deze nader verlengd tot 10 januari 2007.
Na ontvangst van het rapport van het psychodiagnostisch onderzoek heeft de kinderrechter bij beschikking van 9 januari 2007 de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 24 mei 2007.
Tegen de beschikking van 9 januari 2007 heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na behandeling van de zaak heeft het hof bij beschikking van 15 mei 2007 de bestreden beschikking bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon is op 24 mei 2007 verstreken. Om deze reden heeft de moeder geen belang meer bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 juni 2008.