ECLI:NL:PHR:2008:BD0684
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep moeder tegen verlenging machtiging uithuisplaatsing
De moeder, met gezag over haar zoon die onder toezicht stond en uit huis was geplaatst, stelde cassatie in tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De Stichting Bureau Jeugdzorg had de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing aangevraagd en deze waren door de kinderrechter en het hof meerdere malen verlengd.
De Hoge Raad oordeelde dat nu de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing was verstreken, de moeder geen belang meer had bij haar cassatieberoep en daarom niet-ontvankelijk was. Desondanks behandelde de Hoge Raad inhoudelijk de klacht dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de machtiging verlengd mocht worden, ondanks dat de Stichting niet voldoende had toegewerkt naar terugplaatsing.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof de belangen van de zoon en de moeder zorgvuldig had afgewogen en terecht had geoordeeld dat een terugplaatsing op dat moment nadelig zou zijn voor de zoon. Ook al was de Stichting mogelijk tekortgeschoten in het toewerken naar terugplaatsing, mocht het belang van de bescherming van de zoon prevaleren boven het gezinsleven van de moeder. De klacht faalde en het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de machtiging tot uithuisplaatsing.