ECLI:NL:HR:2009:BK0949
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Regels omtrent ad informandum gevoegde feiten bij gemachtigde raadsman in strafproces
In deze zaak stond de vraag centraal welke regels gelden voor de behandeling van ad informandum gevoegde feiten wanneer een verdachte zich laat verdedigen door een gemachtigde raadsman. De verdachte was niet zelf verschenen tijdens de terechtzitting in hoger beroep, maar de raadsman erkende de feiten niet.
De Hoge Raad bevestigde de vaste jurisprudentie dat een rechter bij strafoplegging rekening mag houden met ad informandum gevoegde feiten indien de verdachte deze feiten ter terechtzitting erkent. Indien de verdachte niet verschijnt, gelden aanvullende voorwaarden: de verdachte moet tijdig geïnformeerd zijn over de ad informandum feiten, er moet elders een erkenning zijn, en het Openbaar Ministerie mag geen vervolging instellen voor deze feiten.
De Hoge Raad benadrukte dat de verklaringen van een gemachtigde raadsman niet als verklaringen van de verdachte in bewijsrechtelijke zin gelden. Daarom gelden in die situatie de regels alsof de verdachte zelf niet is verschenen. Wel kan de afdoening van ad informandum feiten worden tegengehouden als de raadsman ter terechtzitting bezwaar maakt tegen deze afdoening.
Het middel dat het Hof ten onrechte rekening hield met de zeven ad informandum gevoegde feiten omdat de raadsman deze niet erkende, faalt omdat het recht dit niet kent. Het beroep in cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het Hof terecht rekening hield met de zeven ad informandum gevoegde feiten bij de strafoplegging.