ECLI:NL:HR:2008:BE9812
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Begrip één inrichting in milieurecht en vergunningplicht bij verhuurde bedrijfsruimte
De zaak betreft een verdachte die op zijn perceel een agrarisch bedrijf met milieuvergunning exploiteerde en daarnaast een aanbouw had verhuurd aan een derde voor het onderhouden en repareren van motorvoertuigen zonder daarvoor een milieuvergunning te hebben. Het hof oordeelde dat deze verhuurde werkplaats onderdeel uitmaakte van één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en verwierp het verweer van de verdachte dat sprake was van twee afzonderlijke inrichtingen.
De verdediging stelde dat de verdachte slechts inrichtinghouder was van het agrarisch bedrijf en niet van de verhuurde werkplaats, omdat hij geen zeggenschap had over de activiteiten van de huurder. Het hof vond dit onvoldoende en stelde dat de werkplaats onderdeel was van dezelfde inrichting.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende feitelijke gronden heeft gegeven om te concluderen dat sprake is van één inrichting, zoals bedoeld in art. 1.1.4 Wmb, namelijk dat installaties tot één inrichting behoren indien zij onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.