Conclusie
Nummer20/01803
middelziet op de partiële vrijspraak van het onder 1 sub a en b tenlastegelegde. Het behelst de klacht dat het hof bij de beslissing tot vrijspraak de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een te beperkte en daarmee een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het daarin voorkomende, aan art. 8.1, eerste lid, (oud) Wet milieubeheer ontleende bestanddeel ‘veranderen van (de werking van) de inrichting’ en aldus de verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan haar ten laste was gelegd. In ieder geval zou ’s hofs oordeel dat geen sprake is geweest van een verandering van (de werking van) de inrichting als bedoeld in die bepaling zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk zijn.
hierna aangeduid als: Wm].
Deze bepaling luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:
Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:o a. op te richten;o b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;o c. in werking te hebben. ”
hof: onder a., b. en c.] opgenomen, waardoor de (werking van de) inrichting zou zijn veranderd, te weten:
a. het niet meer afvoeren en verwerken van het bedrijfsafvalwater via het rioolstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het openbaar riool en/of
b. het niet meer gescheiden verwerken en/of afvoeren van het percolaat van de opslagvakken van afvalstoffen en het overige bedrijfsafvalwater en/of
c. het aanbrengen van één of meer bassins voor het opslaan en/of laten bezinken van afvalwater en/of regenwater.
hierna aangeduid als: Wm-vergunning] die op 3 juli 2001 door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant [
hierna aangeduid als: de Provincie] is verleend aan de voorganger van [verdachte] .
hierna aangeduid als: [A]] door een advocaat van [B] aan de Provincie het verzoek gedaan tot – kort gezegd – handhavend optreden jegens [verdachte] dan wel aanpassing/intrekking van de Wm-vergunning van [verdachte] . Daartoe is (onder meer) aangevoerd dat voorheen bij [verdachte] sprake was van drie waterstromen (schoon hemelwater, grijs water en zwart water), maar dat [verdachte] haar bedrijfsvoering heeft gewijzigd door grijs en zwart water samen te voegen. Bovendien zou afvalwater mogelijk worden uitgereden over gereinigde grond.
Op 26 september 2007 en 21 december 2007 heeft een medewerker van de Regionale Milieudienst West-Brabant een milieucontrole bij [verdachte][het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte] ]
uitgevoerd. Tijdens deze controles zijn van de gecontroleerde onderdelen geen veranderingen ten aanzien van de huidige milieuvergunning geconstateerd. Het door u naar voren gebrachte uitrijden van afvalwater over (verontreinigde) grond is niet bij deze controles betrokken. Ten aanzien van afvalwaterstromen wijkt de werkwijze van [verdachte] af van hetgeen in de aanvraag is beschreven. Echter, dit onderdeel van de aanvraag is niet in de huidige vergunning opgenomen, omdat het niet vermeld staat in het dictum van onze vergunning van 3 juli 2001, onder de onderdelen van de gewaarmerkte aanvraag. Dat betekent dat artikel 8.1 Wm niet wordt overtreden. Wij zijn dan ook van oordeel dat handhavend optreden ten aanzien van artikel 8.1 Wm niet aan de orde is.”
Relevante wetgeving en kamerstukken
4. Voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, evenmin met betrekking tot veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, voor zover daarop regels, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40, van toepassing zijn.’
4.2 Categorieën veranderingen
8. Artikelsgewijze toelichting
Artikel I, onder C
Artikel 8.19, tweede lid
Ook wanneer binnen een categorie van het Ivb wordt gebleven, kan sprake zijn van een andere inrichting. Dit hangt samen met het feit dat een aantal categorieën van het Ivb verschillende soorten inrichtingen omvat. Zie bijvoorbeeld categorie 28 waaronder zowel stort- als verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen vallen. In dergelijke gevallen is het oordeel van het bevoegd gezag of de inrichting niet zodanig verandert dat kan worden gesproken van een andere inrichting, leidend. Daarbij kan de jurisprudentie omtrent het verlenen van vergunningen (er mag geen vergunning worden verleend voor een andere inrichting dan waarvoor deze is aangevraagd; zie onder meer Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 6 april 1998, no. E03.96.1439, Roosendaal en Nispen), een handvat zijn.
Indien de verandering leidt tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend, zal – mede gelet op artikel 8.11, eerste lid, dat bepaalt dat in een vergunning duidelijk moet worden aangegeven waarop zij betrekking heeft – altijd een wijziging van de vergunning moeten worden aangevraagd.’ (p. 21-24)
2. VERGUNNINGEN EN ALGEMENE REGELS VOOR INRICHTINGEN
- (…)
Bij het opnemen van de vergunning op grond van de
Wet verontreiniging oppervlaktewaterenWVO), voor zover die betrekking heeft op lozingen vanuit inrichtingen, stuit men op een aantal problemen.
Deze afstemmingsconstructie, die ook geldt ingeval de minister van VROM bevoegd gezag is voor de Wabm-vergunning, heeft alleen betrekking op situaties waarin een inrichting geen gebruik kan maken van een vergunning krachtens de Wabm als niet tevens een vergunning krachtens de WVO is verleend of gewijzigd. Wanneer tijdens het in werking zijn van een inrichting waarvoor vergunningen zijn verleend met toepassing van de afstemmingsconstructie, een beslissing inzake slechts één van beide vergunningen wordt geïnitieerd, is deze constructie niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat ook in zo'n situatie een goed samenspel tussen beide bevoegde instanties nodig kan zijn om het verschuiven van milieuproblemen te voorkomen en consistentie van voorschriften te waarborgen.
Zo is in het kader van het bestuursakkoord tussen de minister van VROM en de VNG de problematiek van de WVO-vergunning recent wederom aan de orde gesteld. Wanneer gemeenten het bevoegd gezag zijn voor de Wabm-vergunning is immers niet op de hierboven beschreven wijze voorzien in een afstemming met de WVO-vergunning, zij het dat de betrokken instanties volgens de algemene procedure altijd over en weer advies kunnen uitbrengen.
‘II. De doelstellingen van de regeling(…)
6.6. In paragraaf 2.2.1. van deze toelichting is reeds aangegeven dat de algemene regeling van milieuvergunningen voor inrichtingen een nauwe samenhang vertoont met die van de vergunningen voor lozingen ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de gemeentelijke lozingsverordening. Het wetsvoorstel bevat een specifieke voorziening voor een afstemming tussen de Wabm-vergunning en de WVO-vergunning met betrekking tot inrichtingen waarvoor het college van gedeputeerde staten of de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne bevoegd gezag is.’ (p. 61-62)
‘Artikel X(wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren)
(…)
D
Dit wetsvoorstel beoogt onder meer in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne een hoofdstuk Vergunningen en algemene regels voor inrichtingen op te nemen. In hoofdstuk 2 van deze memorie is hier uitgebreid op ingegaan. De bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen voor inrichtingen is neergelegd in artikel 38 (regels voor niet-vergunningplichtige inrichtingen) en artikel 39 (regels voor vergunningplichtige inrichtingen) van artikel I van dit wetsvoorstel. In aansluiting op de in paragraaf 2.2.1. van deze memorie toegelichte keuze de vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren niet op te nemen in de vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, is besloten ook de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels voor het lozen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewater - aan welke bevoegdheid evenzeer behoefte bestaat - in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zelf te regelen. De artikelen 2a, 2b en 2c voorzien in
‘H
In de onderhavige voorstellen is gekozen voor een constructie waarin de vergunningen voor inrichtingen op grond van de Hinderwet, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet geluidhinder, de Afvalstoffenwet en de Wet chemische afvalstoffen worden opgenomen in één vergunning voor inrichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne. Tussen laatstgenoemde vergunning, alsmede de betrokken vergunningen op grond van de Mijnwet en de Kernenergiewet en de vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zal een sterke procedurele en inhoudelijke koppeling worden gelegd. Hierop is reeds ingegaan in paragraaf 2.2.1. van deze memorie. (…) In de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is deze koppeling neergelegd in de artikelen 7b en 7c. Ingevolge artikel 7b moeten aanvragen om een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor lozingen vanuit een inrichting waarvoor ook een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne van
- art. 1 (oud) Wvo:
- art. 2b (oud) Wvo: [19]
- art. 2c (oud) Wvo:
‘1. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a kan - behoudens in gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid - worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te Pro verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt verleend, of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de maatregel kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
- art. 7 (oud) Wvo:
(…)
5. De artikelen 8.8 tot en met 8.13, 8.15 tot en met 8.20, 8.21, voor zover het gevallen betreft waarop artikel 31a niet van toepassing is, 8.22, 8.27 en 21.1 van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor die toepassing onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.’
- art. 30a (oud) Wvo:
Artikel 1.1
(…)
b. worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen die verband houden met het verbruik van energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting;’
e. 1°. het oprichten,
Bewezenverklaringen en bewijsoverwegingen
hierna aangeduid als: Wed] strafbaar gesteld worden, volgt dat het verboden is om zonder vergunning of ontheffing of in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften bepaalde handelingen of bepaalde activiteiten te verrichten dan wel de inrichting of werking van de inrichting te veranderen. De vragen welke activiteiten of welke handelingen verboden zijn en wanneer sprake is van een verboden wijziging van (de werking van) de inrichting dienen te worden beantwoord aan de hand van de omschrijving van de vergunde activiteiten in de verleende vergunning of ontheffing. Er is hierbij sprake van een gelede normstelling. Die beantwoording dient - in beginsel - te geschieden in samenhang met de voorschriften die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden. In de vergunning dient het bevoegd gezag daarbij zo duidelijk mogelijk aan te geven voor welke vergunningplichtige activiteiten de vergunning is verleend. In het wettelijk systeem behoeft daarbij de aanduiding van de activiteiten niet in extenso in de vergunning zelf te worden opgenomen en kan worden verwezen naar (delen van) de aanvraag op basis waarvan de vergunning wordt verleend.
vaste, al dan niet gevaarlijke afvalstoffen, categorie I bouwstoffen en communaal slib. In voorschrift 6.1.4 en 6.1.7 staat opgenomen dat binnen de inrichting uitsluitend bepaalde - van buiten de inrichting afkomstige - afvalstoffen worden opgeslagen en overgeslagen. Afvalwater staat in dat voorschrift niet vermeld. De voorschriften 6.1.4 en 6.1.7 zijn opgenomen in onderdeel 6, Afval- en reststoffen. Afvalwater wordt besproken in een ander onderdeel, namelijk onderdeel 7 van de voorschriften.
hierna aangeduid als: het Lozingenbesluit] staat onder meer het volgende:
die tot doelhebben vloeistoffen definitief in de bodem te brengen. Het strekt zich niet alleen uit tot lozingen van vloeistoffen waarin verontreinigingen van chemische of biologische aard voorkomen, maar het betreft ook het lozen van koelwater in de bodem.
Het besluit strekt zich ook uit tot het verregenen, bevloeien en besproeien van vloeistoffen op de bodem, als daarbij de vloeistoffen tevens voor een deel in de bodem treden.(…)”
Bespreking van het middel
nietwordt bestreken door de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, niet wegneemt dat die verandering toch vergunningplichtig kan zijn in de zin van art. 8.1, eerste lid, (oud) Wm.’