ECLI:NL:HR:2008:BF0843
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering aan Macedonië ondanks verstekvonnissen
De zaak betreft het verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Macedonië ter uitvoering van gevangenisstraffen opgelegd bij verstekvonnissen. De Hoge Raad beoordeelde of de uitlevering geweigerd kon worden op grond van art. 3.1 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV), dat uitlevering kan weigeren indien de opgeëiste persoon niet het recht krijgt op een nieuw proces waarin de verdediging wordt gegarandeerd.
De verzoekende staat overhandigde meerdere vonnissen en beslissingen tot tenuitvoerlegging, en gaf een verzekering dat de opgeëiste persoon het recht op een nieuw proces zal krijgen. De verdediging voerde aan dat deze verzekering onvoldoende was, en dat uitlevering daarom ontoelaatbaar zou zijn. De Hoge Raad oordeelde echter dat de verzoekende staat voldoende garanties bood en dat er geen feiten of omstandigheden waren die een uitzondering op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigden.
De Hoge Raad verklaarde daarom de uitlevering toelaatbaar. De opgeëiste persoon werd gehoord, en de procedure omvatte meerdere zittingen en onderzoeken. De uitspraak bevestigt dat uitlevering ondanks verstekvonnissen mogelijk is indien het recht op een nieuw eerlijk proces wordt gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Macedonië toelaatbaar wegens voldoende garanties voor een nieuw eerlijk proces.