ECLI:NL:HR:2008:BF3200

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00498/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste toepassing redelijke termijn en wijst zaak terug

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarin het hof de overschrijding van de redelijke termijn had beoordeeld. De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte aan de overschrijding het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging heeft verbonden. Dit oordeel is niet in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 3 oktober 2000 (LJN AA7309) en recente arresten uit 2008, waarin deze lijn is bevestigd. De Hoge Raad concludeert dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en vernietigt dit arrest. Vervolgens wijst de Hoge Raad de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, dan wel een aangrenzend hof, zodat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De uitspraak onderstreept het belang van correcte toepassing van het redelijke termijn-beginsel zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro en bevestigt dat overschrijding van deze termijn niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 16 december 2008.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

16 december 2008
Strafkamer
nr. 00498/07
Hoge Raad der nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 september 2006, nummer 23/003005-02, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof aan de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM ten onrechte het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging heeft verbonden, althans dat het Hof die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Het middel doet daarbij een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721.
2.2. Het middel is terecht voorgesteld. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358 en HR 9 december 2008, LJN BF3196).
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 december 2008.