ECLI:NL:HR:2008:BF5557
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verduidelijkt uitleg en toepasselijkheid van witwasartikelen en verjaring
In deze cassatiezaak heeft de Hoge Raad zich gebogen over de uitleg van de artikelen 420bis, 420ter en 420quater van het Wetboek van Strafrecht betreffende witwassen. De zaak betrof een verdachte die zich schuldig zou hebben gemaakt aan gewoontewitwassen door het beheer van banksaldi op rekeningen op naam van anderen vanuit zijn woonplaats.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had aangenomen dat de misdrijven in de woonplaats van de verdachte waren gepleegd, omdat het beheer van de saldi vanuit die woonplaats plaatsvond. Tevens werd verduidelijkt dat het 'verbergen of verhullen' van witwasgeld niet alleen het storten op een rekening betreft, maar ook het voortduren van de plaatsing op die rekening.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het verweer dat misdrijven gepleegd vóór de inwerkingtreding van de witwasbepalingen op 14 december 2001 niet als grondslag konden dienen. Ook werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf tot vijf jaar en zes maanden.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de Hoge Raad de bestreden uitspraak grotendeels in stand liet, behoudens de strafvermindering wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het overige beroep is verworpen.