ECLI:NL:HR:2009:BD1031
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Bedrijfsfusievrijstelling kapitaalsbelasting niet van toepassing op inbreng beleggingen verzekeringsmaatschappij
Belanghebbende, een verzekeringsmaatschappij, had kapitaalsbelasting betaald over een inbreng van beleggingen en verzocht om teruggaaf. De Inspecteur wees dit verzoek af, en het Hof verklaarde het beroep ongegrond omdat de bedrijfsfusievrijstelling niet van toepassing was op de inbreng van beleggingen die geen zelfstandig onderdeel van een onderneming vormden.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte als criterium hanteerde dat het ingebrachte na inbreng een materiële onderneming moest zijn, terwijl primair de plaats van het ingebrachte in de onderneming van de inbrengende vennootschap van belang is. Deze klacht werd verworpen omdat de beleggingen los van de verzekeringsverplichtingen geen zelfstandig ondernemingsonderdeel vormden.
Een andere klacht betrof het vertrouwensbeginsel. Het Hof oordeelde dat het vertrouwen gewekt door een eerdere goedkeuring was weggenomen door een latere brief van de Inspecteur. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof dit standpunt niet voldoende had onderzocht en verwees de zaak terug naar het Hof voor verdere behandeling.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het cassatiegeding en wees het griffierecht toe aan belanghebbende. De zaak wordt door het Gerechtshof Amsterdam verder behandeld met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart cassatieberoep gegrond, vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor verdere behandeling.