Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
De ANBI-status: activiteiten gericht op het algemeen nut (art. 6.33, eerste lid, Wet IB 2001)
BNB1960/296 (het Minerva-arrest) oordeelde de Hoge Raad dat het begrip ‘het algemeen nut beogende instelling’ moet worden uitgelegd naar de gangbare opvatting ervan. De Raad overwoog vervolgens: [8]
Terugwerkende kracht van de ANBI-status en de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
algemeen voorbehoudniet meer dan dat de belastingplichtige geïnformeerd wordt over het feit dat de inspecteur bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting dan wel bij het vaststellen van de naheffingsaanslag omzetbelasting niet gebonden is aan zijn eerdere ‘snelle’ standpunt. Aldus voorkomt het voorbehoud het ontstaan van subjectieve verwachtingen bij de belastingplichtigen die de inspecteur niet verplicht is te honoreren. Een zelfstandige juridische betekenis komt naar mijn mening aan een algemeen voorbehoud niet toe. Een consequentie hiervan is dat de inspecteur die een voldoende grondig onderzoek verricht zich niet aan zijn gebondenheid kan onttrekken door zich te beroepen op het algemene voorbehoud. [39] Zijn specifieke gedrag is tegengesteld aan het algemene voorbehoud.
specifiek voorbehoudmaakt. Het staat naar mijn mening de inspecteur in principe vrij om de gelding van zijn standpuntbepaling in het concrete geval te beperken tot de beschikking die hij dan vaststelt. Aldus beïnvloedt hij de indruk die de belastingplichtige krijgt van zijn onderzoek. Indien de inspecteur later bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting of het opleggen van de naheffingsaanslag omzetbelasting tot een ander standpunt komt, is hij niet gebonden aan zijn eerdere standpunt. De belastingplichtige heeft aan de eerste beschikking niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de inspecteur zich ook voor de latere beschikking wenste te binden.
BNB1979/311 [41] voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel bovendien nog vereist dat (i) de door de belastingplichtige verstrekte gegevens juist zijn en (ii) geen sprake is van duidelijke strijd met een juiste wetstoepassing. [42] Dit geldt zowel voor expliciete als impliciete standpuntbepalingen. [43]
BNB1984/86 ging de Hoge Raad nader hierop in. (…) De Hoge Raad stelt een dubbele eis aan de verandering van omstandigheden. Allereerst moet er sprake zijn van een substantiële verandering van omstandigheden. Een marginale verandering is niet voldoende. De omstandigheden moeten in een relevant opzicht zijn gewijzigd. (…) De gewijzigde omstandigheden moeten zodanig zijn dat redelijkerwijs de inspecteur, indien hem thans gevraagd zou worden een toezegging te doen, deze niet zou geven. De tweede eis houdt in dat de gewijzigde omstandigheden op ruime schaal aanleiding moeten geven tot aanpassing van vergelijkbare contractuele verhoudingen. Zij moeten dus daadwerkelijk hun neerslag hebben gevonden in een bijstelling van dergelijke contracten. In wezen komt dit neer op de eis dat redelijk handelende partijen zelf al aanleiding zouden vinden hun contractuele verhouding in het licht van de gewijzigde maatschappelijke opvattingen te herzien. Alleen indien aan deze dubbele eis is voldaan, is er sprake van een relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de inspecteur kan terugkomen op zijn eerder gedane toezegging.
BNB1981/308 [55] heeft de Hoge Raad aangegeven dat een zonder voorbehoud gedane toezegging van de inspecteur ook voor de toekomst bindt. De eerbiedigende werking staat hier centraal.
6.Jurisprudentie intrekkingen ANBI-status met terugwerkende kracht
7.Het met terugwerkende kracht herzien van een ‘Verklaring arbeidsrelatie’
Het antwoord hierop luidt dat het derde lid van artikel 3.156 aan de inspecteur de bevoegdheid geeft de beschikking te herzien indien hij ermee bekend is dat de feitelijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. De herziene beschikking werkt terug naar het moment waarop de afwijking tussen de gepresenteerde omstandigheden en de feitelijke omstandigheden zich heeft voorgedaan.
Kamerstukken II2000/01, 27 466, nr. 6, blz. 99).
Infobulletin2003/135 de volgende toelichting is gegeven: “(…) De afgifte van de beschikking kan in zoverre worden aangemerkt als een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur, althans X heeft dat zo mogen begrijpen. Onder deze omstandigheden acht de staatssecretaris het oordeel van het hof dat X aan deze beschikking in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen niet onbegrijpelijk. Ondanks het feit dat in casu sprake lijkt te zijn van een dienstbetrekking acht de staatssecretaris cassatie van de uitspraak niet mogelijk. Hij is overigens wel van mening dat door de afgifte van de tweede verklaring het opgewekte vertrouwen voor de toekomst is weggenomen."
8.Het intrekken van een beschikking fiscale eenheid met terugwerkende kracht
9.Beschouwing
10.Behandeling van de middelen
Principaal beroep in cassatie (Staatssecretaris)
Incidenteel beroep in cassatie (belanghebbende)