ECLI:NL:HR:2009:BG4241
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake overschrijding redelijke termijn bij profijtontneming
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.
De Hoge Raad oordeelde dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, verwijzend naar een eerdere uitspraak (HR LJN BD2578). Hoewel de overschrijding in de cassatiefase terecht werd erkend, leidde dit niet tot cassatie, omdat compensatie hiervoor in de aanhangige hoofdzaak zal worden toegepast.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en verbindt geen rechtsgevolgen aan de overschrijding in deze zaak. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 6 januari 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en verbindt geen rechtsgevolgen aan de overschrijding van de redelijke termijn.