ECLI:NL:HR:2009:BG4241

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11105 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake overschrijding redelijke termijn bij profijtontneming

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

De Hoge Raad oordeelde dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, verwijzend naar een eerdere uitspraak (HR LJN BD2578). Hoewel de overschrijding in de cassatiefase terecht werd erkend, leidde dit niet tot cassatie, omdat compensatie hiervoor in de aanhangige hoofdzaak zal worden toegepast.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en verbindt geen rechtsgevolgen aan de overschrijding in deze zaak. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 6 januari 2009.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en verbindt geen rechtsgevolgen aan de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

6 januari 2009
Strafkamer
07/11105 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 januari 2006, nummer 23/000134-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de
Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden en dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering.
2.2. Overschrijding van die termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.21). In zoverre faalt het middel.
2.3. Voor zover het middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase is het terecht voorgesteld. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 07/11106, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
2.4. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 6 januari 2009.