ECLI:NL:HR:2009:BG6551
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De raadsman van verdachte diende een middel van cassatie in, maar dit gebeurde na de wettelijke termijn. Door een administratieve vergissing werd de raadsman niet tijdig geïnformeerd over de uitreiking van de aanzegging aan verdachte, waardoor de termijnoverschrijding verontschuldigbaar werd geacht en het beroep ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel zelf niet tot cassatie kon leiden en geen nadere motivering behoefde. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd ambtshalve de opgelegde gevangenisstraf verminderd van vier jaar naar drie jaar en zeven maanden. De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee werd het arrest van het hof gedeeltelijk vernietigd en aangepast.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd ambtshalve verminderd van vier jaar naar drie jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.