ECLI:NL:HR:2009:BG6551

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11361
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De raadsman van verdachte diende een middel van cassatie in, maar dit gebeurde na de wettelijke termijn. Door een administratieve vergissing werd de raadsman niet tijdig geïnformeerd over de uitreiking van de aanzegging aan verdachte, waardoor de termijnoverschrijding verontschuldigbaar werd geacht en het beroep ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel zelf niet tot cassatie kon leiden en geen nadere motivering behoefde. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Als gevolg daarvan werd ambtshalve de opgelegde gevangenisstraf verminderd van vier jaar naar drie jaar en zeven maanden. De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee werd het arrest van het hof gedeeltelijk vernietigd en aangepast.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd ambtshalve verminderd van vier jaar naar drie jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

30 juni 2009
Strafkamer
nr. 07/11361
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 oktober 2006, nummer 23/001084-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal Fokkens heeft bij conclusie en bij aanvullende conclusie geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de aanvullende conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van mr. J.F. van der Brugge, voornoemd, aan de strafgriffie van de Hoge Raad van 13 november 2006, die de mededeling inhoudt dat deze de verdachte als raadsman zal bijstaan.
Bij de stukken bevindt zich tevens het dubbel van de aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv en een daarbij behorende akte van uitreiking, waaruit volgt dat de aanzegging op 14 maart 2008 aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Bij brief van 19 maart 2008 is aan de raadsman bericht dat de stukken van het geding op 25 oktober 2007 bij de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Als gevolg van een administratieve vergissing is aan de raadsman van de verdachte niet meegedeeld dat en wanneer de uitreiking van de aanzegging aan de verdachte heeft plaatsgevonden.
Namens de verdachte heeft mr. J.F. van der Brugge, voornoemd, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend, die echter eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn, namelijk op 14 mei 2008, bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen.
2.2. De schriftuur is te laat ingediend. Gelet op voornoemde administratieve vergissing is de termijnoverschrijding verontschuldigbaar. Daarom kan de verdachte in zijn beroep worden ontvangen.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 30 juni 2009.