ECLI:NL:HR:2009:BG9867

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43244
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Winstneming bij cessie om niet van toekomstige huurtermijnen aan eigen BV

In deze zaak heeft de directeur en enige aandeelhouder van een BV in 1995 het recht op toekomstige huurtermijnen van twee winkelpanden om niet gecedeerd aan de BV. Dit leidde tot discussie over de vraag in welk jaar de winst uit deze huurtermijnen moest worden verantwoord: in het cessiejaar 1995 of gespreid over de jaren waarin de huurtermijnen werden ontvangen.

De BV had in 1995 de contante waarde van de huurtermijnen geactiveerd als financiële vaste activa en informeel kapitaal geboekt. In 1998 en 1999 werden afschrijvingen en rente verwerkt, terwijl de ontvangen huurtermijnen jaarlijks als winst werden verantwoord. De inspecteur weigerde de afschrijvingen in 1998 en 1999 te erkennen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.

Het hof wees het beroep van de BV af, maar de Hoge Raad concludeert dat het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik vereist dat de winst in het cessiejaar 1995 wordt genomen. Er was geen verplichting tegenover de huurder of cedent die nog moest worden nagekomen, en het voorzichtigheidsbeginsel rechtvaardigde waardering rekening houdend met kredietwaardigheid. De eerdere jurisprudentie HR BNB 2004/44 was niet van toepassing op de winstnemingsvraag.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraken van het hof en de uitspraken op bezwaar en kan de zaak afdoen. De uitspraak wordt niet gepubliceerd.

Uitkomst: De winst uit de cessie om niet van toekomstige huurtermijnen moet in het cessiejaar 1995 worden genomen.

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd