ECLI:NL:HR:2009:BH0173
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid politie tot binnentreden woning ter hulpverlening zonder machtiging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de politieambtenaren werden toegelaten tot een woning zonder schriftelijke machtiging. De politie trad de woning binnen om hulp te verlenen aan een persoon die wateroverlast veroorzaakte en tekenen van verwardheid vertoonde. De verdachte werd vervolgens aangehouden wegens bezit van cocaïne.
De verdediging voerde aan dat het binnentreden onrechtmatig was omdat er geen schriftelijke machtiging was en er geen sprake was van een noodsituatie zoals bedoeld in art. 2 lid 3 Awbi Pro. Volgens de verdediging was het binnentreden niet gerechtvaardigd en moest het bewijs worden uitgesloten.
Het hof oordeelde echter dat de politie op grond van art. 8 lid 2 Politiewet Pro 1993 bevoegd was de woning binnen te treden voor hulpverlening en dat de uitzondering van art. 2 lid 3 Awbi Pro van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat het binnentreden rechtmatig was.
De Hoge Raad vernietigde het arrest slechts voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en beperkte de straf tot elf maanden en een week. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid van het binnentreden zonder machtiging en vermindert de gevangenisstraf tot elf maanden en een week wegens termijnoverschrijding.