ECLI:NL:HR:2009:BH1085
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de omkering van de bewijslast bij relatief hoge aftrekposten in belastingaangifte
In deze zaak heeft advocaat-generaal IJzerman geconcludeerd over zes belastingrechtelijke zaken waarin centraal stond of het opvoeren van relatief hoge aftrekposten in de aangifte kan leiden tot het niet doen van de vereiste aangifte. De conclusie behandelt onder meer de vraag welke normatieve maatstaven moeten worden gehanteerd om te bepalen wanneer sprake is van een inhoudelijk niet adequate aangifte die de omkering van de bewijslast rechtvaardigt.
De conclusie benadrukt dat het ontbreken van de vereiste aangifte in de belastingwetgeving al lang leidt tot omkering van de bewijslast, maar dat er nog steeds majeure vragen bestaan over de precieze maatstaven. De advocaat-generaal pleit voor duidelijkheid over de tellers en noemers van het verhoudingsgetal en voor een eenduidig normatief percentage dat als 'relatief aanzienlijk' geldt, zonder variatie door subjectieve factoren zoals opzet.
Verder wordt gesteld dat de sanctie van omkering van de bewijslast pas mag intreden indien ook vaststaat dat de belastingplichtige zich bewust was van het niet aangeven van relatief aanzienlijke bedragen. Deze eis van bewustheid wordt gemotiveerd door de zwaarte van de sanctie. Ook worden gerelateerde kwesties besproken, zoals de rol van te geringe absolute bedragen en de goede trouw van de belastingplichtige.
De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie in de zaak te verklaren. De advocaat-generaal adviseert bij aanslagbelastingen uit te gaan van de positieve resultaten (inkomsten) zonder acht te slaan op aftrekposten, waarbij de niet aangegeven positieve resultaten worden gerelateerd aan het werkelijk behaalde belastbare inkomen om de verhouding te bepalen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verklaard met criteria voor omkering van bewijslast bij relatief hoge aftrekposten in belastingaangifte.