Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
Beslissing
- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2010, doch uitsluitend voor wat betreft de boete;
- vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2010 tot € 457.624;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.443 voor overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.057 voor overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres, ieder tot een bedrag van € 798,63;
- draagt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 169.”
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslag betreffende het jaar 2011 tot een berekend naar een belastbare winst van € 76.685.590 en vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
- vermindert de aanslag betreffende het jaar 2012 tot een berekend naar een belastbare winst van € 104.735.077 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2012 tot een bedrag van € 484.775;
- vermindert de aanslag betreffende het jaar 2013 tot een berekend naar een belastbare winst van € 99.937.778 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2013 tot een bedrag van € 368.660;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 6.389;
- gelast dat verweerder aan eiseres vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 1.014.”
De inspecteur heeft deze bezwaren in uitspraak op bezwaar van 3 juli 2020 ongegrond verklaard.
- De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de navorderingsaanslag 2013 en de beschikking belastingrente betreffende het jaar 2013;
- vermindert de aanslag betreffende het jaar 2014 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 84.786.447 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2014 tot een bedrag van € 278.592;
- vermindert de aanslag betreffende het jaar 2015 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 96.347.089 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2015 tot een bedrag van € 282.564;
- vermindert de aanslag betreffende het jaar 2016 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.646.235.599 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2016 tot een bedrag van € 106.382.065;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 9.676,50;
- gelast dat verweerder aan eiseres vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 354.”
2.Feiten
Hof: [X1] B.V.] was tot 2013 de moedermaatschappij van een omvangrijke Nederlandse fiscale eenheid die zich bezig hield met houdster- en financieringsactiviteiten en de productie en distributie van tabaksartikelen. De aandelen [X1] werden gehouden door [X2] [
Hof: [X2] B.V.]. Vanaf 2013 is de oude fiscale eenheid [X1] gevoegd in [X2] en is laatstgenoemde het hoofd van de fiscale eenheid geworden. De uiteindelijke moedermaatschappij van het [A] concern, [B] p.l.c. ( [B] ), is gevestigd in [land 1] .
in €).
De voorzittervraagt partijen of zij al weten of en zo ja, wie zij als getuigen willen meenemen naar de zitting.
3.Geschil in principaal en incidenteel hoger beroep
Ter zitting van 7 november 2024 heeft belanghebbende haar verzoek om vergoeding van de integrale proceskosten ingetrokken.
4.Algemeen toetsingskader
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 3, blz. 21).
vermoedendat de oorzaak van de bevoordeling zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid. Een vermoeden kan worden ontzenuwd, dat wil zeggen dat als een belastingplichtige erin slaagt om voldoende twijfel te zaaien over de juistheid van het vermoeden, de bewijslast weer wordt teruggelegd bij de inspecteur. Deze wijze van bewijslastverdeling was volgens belanghebbende overigens ook al aan de orde in de rechtspraak van de Hoge Raad over het totaalwinstbegrip van vóór de codificatie van het at arm’s length-beginsel; belanghebbende wijst in dit verband op het arrest HR 4 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:M1699, BNB 1997/42.
gelieerdheidde oorzaak is van het (objectief vastgestelde) onzakelijke handelen. Als belanghebbende er in slaagt het vermoeden te ontzenuwen dat de gelieerdheid de oorzaak is van de overeenkomen onzakelijke prijs en aldus ontzenuwt dat sprake is van een bevoordelingsbedoeling, dan vervalt de correctie. Die bedoeling is niet aanwezig als er een zakelijke reden is voor de buiten de marge overeengekomen prijs. Naar de mening van de inspecteur heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.2.31 en 3.2.33 van uitspraak 3 op dit punt het juiste toetsingskader geformuleerd.
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 3, blz. 20-21):
wordtde winst van die lichamen bepaald
alsofdie laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen” (cursiveringen Hof)), zoals nader toegelicht in de onder 4.1.13 weergegeven wetsgeschiedenis, houdt naar het oordeel van het Hof het volgende in. Als de inspecteur de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat een tussen gelieerde lichamen overeengekomen verrekenprijs afwijkt van hetgeen onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, volgt daaruit het vermoeden dat het voor- of nadeel dat hierdoor is ontstaan zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid tussen de betrokken lichamen. Dit vermoeden is vatbaar voor tegenbewijs (zie hierna). Aangezien het bij de in geschil zijnde verrekenprijscorrecties in de vennootschapsbelasting uitsluitend gaat om de vraag of zich bij belanghebbende onttrekkingen hebben voorgedaan, betreft het hier dus niet de vraag of (tevens) een uitdeling van winst heeft plaatsgevonden, met de daarbij behorende toetsing aan de zogenoemde (bij verrekenprijscorrecties geobjectiveerde) ‘dubbele bewustheid’ (vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, BNB 2023/40, r.o. 3.4.1-3.4.4).
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 5, blz. 47-48). Bij de hierna opgenomen beoordeling van de in geschil zijnde verrekenprijscorrecties zal het Hof daarom, voor zover aan de orde, aandacht besteden aan de voor die correcties relevante richtlijnen van de Guidelines.
wordtde winst van die lichamen gecorrigeerd tot zakelijke verrekenprijzen. In de onder 4.1.13 vermelde wetsgeschiedenis is hierover opgemerkt dat het in het eerste lid van artikel 8b van de Wet opgenomen arm’s length-beginsel een objectieve maatstaf bevat voor de bepaling van een zakelijke verrekenprijs tussen gelieerde lichamen en dat op grond daarvan de fiscale winst “wordt ontdaan van onzakelijke elementen die op deze gelieerdheid zijn terug te voeren”. In de wetsgeschiedenis wordt daarnaast toegelicht dat ten aanzien van verrekenprijscorrecties de bevoordelingsbedoeling is geobjectiveerd, hetgeen volgens deze wetsgeschiedenis inhoudt dat “afwijking van deze objectieve maatstaf (…) tevens [betekent] dat het vermoeden ontstaat – en daarmee het begin van bewijs is geleverd – dat het voor- of nadeel dat hierdoor voor het betrokken lichaam is ontstaan, zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid tussen de betrokken lichamen.” Gelet op deze bewoordingen (“het vermoeden ontstaat – en daarmee het begin van bewijs is geleverd -”) gaat de wetgeschiedenis wel uit van een bewijsvermoeden.
gelieerdheidtussen de betrokken lichamen als oorzaak van de onzakelijke prijsstelling. Een dergelijk bewijsvermoeden is vatbaar voor tegenbewijs. Dit betekent dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om dit vermoeden van de gelieerdheid als oorzaak van de onzakelijke verrekenprijs te ontzenuwen. Daarvoor is niet vereist dat belanghebbende de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat het bewijsvermoeden onjuist is; voldoende is dat op grond van hetgeen zij aanvoert en aannemelijk maakt (zie hierover nader 4.1.19), redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de juistheid van dit vermoeden. Aangezien (bij de toepassing van artikel 8b, eerste lid, van de Wet) de bewijslast niet is omgekeerd, is immers het bewijsrisico blijven berusten bij de inspecteur, hetgeen inhoudt dat twijfel ten gunste van de belanghebbende blijft werken (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14, r.o. 3.2.4). Het onder 4.1.8 (slotzin) weergegeven standpunt van de inspecteur – dat belanghebbende de feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat de gelieerdheid niet de oorzaak is van het onzakelijke handelen – berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.
gelieerdheidvan de betrokken lichamen als oorzaak van het onzakelijke handelen. Met de enkele stelling dat zij zich niet bewust was van de onzakelijkheid van de gehanteerde verrekenprijzen doet belanghebbende nog niet per definitie redelijke twijfel ontstaan aan de gelieerdheid als oorzaak van het onzakelijke handelen; het ontzenuwen van het bewijsvermoeden dient betrekking te hebben op de gelieerdheid als oorzaak van het onzakelijke handelen en niet op de bewustheid daarvan. Het Hof zal – voor zover dit in de onderhavige zaken aan de orde komt – per verrekenprijscorrectie aan de hand van alle door belanghebbende in dit kader aangevoerde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, beoordelen of zij erin is geslaagd het bedoelde bewijsvermoeden van de gelieerdheid als oorzaak van het onzakelijke handelen te ontzenuwen.
Kamerstukken II2001/02, 28034, nr. 3, blz. 22 en
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 5, blz. 37) heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven dat bij het niet voldoen aan de documentatieplicht van artikel 8b van de Wet niet het overtuigende bewijs zal worden gevraagd dat de verrekenprijzen juist zijn, maar dat volstaan kan worden met een lichtere vorm van bewijs, te weten aannemelijk maken. Weliswaar heeft deze wetsgeschiedenis geen betrekking op het niet voldoen aan de aangifteplicht, maar belanghebbende meent dat er goede redenen zijn om ook terughoudend om te gaan met omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte in een transferpricinggeschil.
Kamerstukken II2001/02, 28 034, A, blz. 9):
Kamerstukken II2001/02, 28 034, A, blz. 9-10):
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 3, blz. 21-22):
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 5, blz. 34 en 37):
Administratieve maatregel zoals voorgesteld in het derde lid
5.Factoring
Credit limits management[H] would advise on the acceptable credit limits per client for a fee. However, this activity has already been performed in the past by [H] for a cost plus 8% charge (…).”
De factoring door [H] aan [I] en [E] vond plaats zonder voorfinanciering. [H] betaalde [I] en [E] op het moment dat de betaling van de klant was ontvangen, maar uiterlijk op de vervaldatum van de vordering. Klanten betaalden [H] op de Nederlandse bankrekening van [H] . Het kredietrisico werd overgenomen door [H] . Onder omstandigheden kon het kredietrisico achterblijven (recourse factoring). Artikel 7 (d) van de RPA overeenkomst bepaalt in dit verband, voor zover van belang:
Hof: zie nader 5.1.5.1]
De risicopremie bedroeg 0,228% van de omzet en de overige fee 0,10% van de omzet. Dit heeft in de periode 2004-2016 geleid tot betalingen van jaarlijkse bedragen van gemiddeld € 2.500.000 aan risicopremie en € 1.200.000 aan fee die ziet op de accounts receivables management services en de credit risk analysis.
De conclusie van de studie is dat de hoogte van de op dat moment gehanteerde factoring fee van 30 tot 32 basispunten binnen de ‘range’ valt.
Hof: zie nader: 5.1.4.1].
Hof: zie nader: 5.1.4.2].
Wij de Verzekeraar, geven u de Verzekerde:
[ [I] ]
dekking tegen verliezen door Insolventie en Vermoedelijke Insolventie onder de voorwaarden en bepalingen van deze polis.
(…)
Polisingangsdatum 1 oktober 2007
Gedekt percentage 90%
(…)
40 maal de premie in het huidige verzekeringsjaar
(…)
Betaling 30 dagen na de datum van de factuur 0,045%
438.000 (totaal)
Zelfbeoordeling X U kunt zelf Kredietlimieten vaststellen onder de in het Polisoverzicht en Voorwaarden vermelde bepalingen voor Zelfbeoordeling
(…)
Verbintenis
Wij, de Verzekeraar, hebben deze verzekeringspolis uitgereikt aan u, de in het Polisoverzicht genoemde Verzekerde. Wij verbinden ons onder de voorwaarden en bepalingen van deze polis tot schadevergoeding aan u over het verlies dat u lijdt doordat u geen volledige betaling ontvangt op Verzekerde Vorderingen als gevolg van een Gedekte Schade-oorzaak.
(…)
Uitgesloten vorderingen (…)
De dekking is niet van toepassing op:
(…)
e) ieder verlies dat u lijdt, voorzover dit verlies onder de dekking valt of had kunnen vallen (…) van een andere verzekering die u heeft afgesloten of waarvan u begunstigde bent of uit hoofde waarvan u betaling kunt ontvangen.
(…)
Kredietlimieten
(…)
Kredietlimieten bepalen het maximum bedrag en de voorwaarden van onze dekking voor elke Debiteur waarop de polis van toepassing is.
U dient voor elke Debiteur waarop deze polis betrekking heeft een Kredietlimiet te hebben.
De Kredietlimiet dient onmiddellijk te worden vastgesteld, doch in ieder geval voor de Schadedatum.”
Description of the key characteristic related to the factoring services provided by [H] to [I]
As a general rule, there is no formal client acceptance procedure. Typical for [I] ’s client portfolio is that there are very few new clients.
(…)
Technical analysis
(…)
We understand that the average days outstanding of the factored invoices is 25 days. However, for the USD Industrial credit ratings, no financial information was available for the 1 month or 2 months term.
The said remuneration should however ensure [H] , besides of the credit risk consideration, the recovery of its administrative costs relative to the account receivables management services, which is the case if we consider that an arm’s length fee for the account receivables management services should allow a 6% margin (NCP) on the fully loaded costs incurred by [H] for rendering these administrative services.”
In 2013, on average [H] charged 22.52 bps over the account receivables of the [A] group factored companies.
Based on the economic analysis conducted, the overall factoring fee charged by [H] to [A] Group companies, including [ [I] ], sits at the minimum of the range. The position at the minimum of the range is justified by the application of a strict credit management policy by [H] .”
Abnormaal of goedgunstig voordeel
[H] V.O.F.
(…)
I. GESTELDE VRAGEN
1. De aanvraag strekt er toe
1.1. een voorafgaande beslissing te verkrijgen zoals bedoeld in het artikel 185 par Pro 2, tweede lid WIB 92 en in het bijzonder voorafgaande zekerheid te krijgen over welk gedeelte van [H] ’s winst voortvloeiende uit de toekomstige factoring activiteiten voortkomt uit groepsynergieën welke het gevolg zijn van de centralisering van de factoring activiteiten van de multinationale groep [A] (hierna “ [A] Groep”) bij [H] (hierna “ [H] ”). Het aldus bepaalde gedeelte van de winst van [H] kan alsdan in [land 5] van belasting worden vrijgesteld krachtens het artikel 185, par 2, eerste lid, b) WIB 92;
(…)
(...)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
78. Rekening houdend met de beperkte informatie die in de markt beschikbaar is, menen wij dat de meerwinst welke toe te rekenen is aan de groepssynergieën kan worden berekend door een vergelijking te maken tussen het netto-resultaat gerealiseerd door [H] op basis van haar marktconforme factoring fees (bruto-resultaat) en het netto-resultaat van onafhankelijke factoring vennootschappen.
(…)
(…)
(…)
Wij gaan uit van de assumptie dat factoring bedrijven die geen financiering aanbieden handelsvorderingen hebben die in lijn liggen met de handelsschulden. (…)
1. DEFINITIONS AND INTERPRETATION
1.1 Definitions
(…)
“Non-Eligible Debtors” means those customers of the Seller which are not accepted by the Buyer because they do not meet the eligibility criteria set out in Annex 1 (
Credit Risk Management Policy).“Scheduled Receivables” means the Receivables transferred by the Seller to the Buyer on a particular Transfer Date as evidenced by a Transfer Schedule.
(…)
5. Payment and settlement
(…)
5.7 When at the End of a Quarter (…), a Scheduled Receivable has remained unpaid in full or in part more than 6 months after its due date because one of the risks enumerated under Clause 9.3 (
Recourse risks)has occurred, the Buyer shall not be liable to pay to the Seller the Transfer Price for such Scheduled Receivable. In such event, the Scheduled Receivable may be transferred by the Buyer back to the Seller as from the End of a Quarter concerned at its Net Value, if being understood that the Administration Fee for such Scheduled Receivable remains due and payable by the Seller.
(…)
9. Non-recourse factoring
9.1. General principle
Each transfer of Scheduled Receivables shall be made without recourse against the Seller in accordance with and subject to this Clause 9 (
Non-recourse factoring)(9.2 Non-recourse risks
With the exception of the circumstance listed in Clause 9.3 (
Recourse risks), the Buyer shall in all other circumstances bear the risks pertaining to the Scheduled Receivables, including, without limitation, political riskes, exchange control risks, war, strike, risks pertaining to the insolvency or bankruptcy of a Debtor (commercial risk) under any Scheduled Receivables, risks pertaining to the late payment of any Scheduled Receivables, risks pertaining to mistakes or other negligence of Seller in satisfying custom formalities or other administrative formalities. The Buyer shall bear such risks as from the date of the Scheduled Receivables, at the relevant Transfer Date.
9.3 Recourse risks
The Buyer shall not bear the risks pertaining to the Scheduled Receivables in the events listed in the Credit Risk Management Policy.
(…)
12. Changes to the Annexes
12.1 The Buyer reserves the right to unilaterally update, change, amend or supplement any of the Annexes to this Agreement in accordance with this Clause 12 (
Changes to the Annexes).(…)
14. Duration
(…)
14.4 In the event this Agreement is terminated, the non-collected debtors at date of termination will be returned to the Seller.”
4.1 Factoring [A]
(…)
[A] groepsmaatschappijen in [land 10] en [land 11] die distributiewerkzaamheden verrichten voor [F] BV (hierna: “ [F] ”, de [land 6] principaal voor de [regio] markt) hebben eveneens factoringovereenkomsten gesloten met [H] .
Ook verleent [H] factoringdiensten aan de vaste inrichting van [F] in [land 8] . Deze vaste inrichting fungeert als distributeur. De factoringfees die deze groepsmaatschappijen betalen behoren tot hun operationele kosten. [F] vergoedt de groepsdistributiemaatschappjjen hun operationele kosten plus een marge.
(…)
Uit een schrijven van [H] van 22 december 1999 blijkt dat de factoringfees met ingang van 1 januari 2000 zijn verlaagd van respectievelijk 0,35% naar 0,32% en 0,22% naar 0,17%. Dit in verband met de integratie van [A] en [J] waardoor de omvang van de vorderingen verdrievoudigen.
De nieuwe percentages zijn vastgesteld na overleg met de [land 5] fiscus omdat sprake is van groepssynergieën die behoren te worden doorgegeven aan de groepsmaatschappijen waaraan de diensten worden verleend. Deze afspraken zijn vastgelegd in een ruling van 16 december 1999. Deze ruling is in 2003 verlengd tot en met 31 december 2008.
[A] vergelijkt [H] met een onafhankelijke factoringonderneming. Reeds vanwege de beperking tot activiteiten binnen het concern gaat een vergelijking met een commerciële factoringonderneming mank. Hierdoor is geen sprake van diversificatie en spreiding van risico's. Bovendien hoeft [H] zich niet bezig te houden met marketing en sales ter verwerving van klanten [voetnoot 23: Zoals ook is opgemerkt in paragraaf 66 van de [land 5] excess profit ruling]. [A] is ook zelf van mening dat als [H] een onafhankelijke onderneming was geweest, haar kostenstructuur in principe verschillend zou zijn geweest en haar winst lager zou zijn geweest [voetnoot 24: Paragraaf 59 van de [land 5] excess profit ruling]. Het is dus duidelijk dat [H] niet kan worden vergeleken met een onafhankelijke onderneming die factoringactiviteiten uitoefent. [H] loopt in ieder geval ook niet vergelijkbare risico's als onafhankelijke factoringondernemingen. Daarom is het niet in overeenstemming met het arm's length beginsel als [H] een hoger resultaat behaald dan een onafhankelijke factoringonderneming. Gezien bovenstaande feiten zou een zakelijke beloning voor [H] altijd onder het winstniveau van een onafhankelijke factoringonderneming behoren te liggen.
Vergoedingen op basis van de omvang van de omzet zijn uitsluitend reëel als ook de omvang van de werkzaamheden [toeneemt] als de omzet toeneemt. Dat is bij factoring niet of slechts ten dele het geval.
(…)
[H] heeft een vergelijking gemaakt aan de hand van financiële data afkomstig uit diverse bronnen die niet zien op factoring. De factoringfee heeft [H] niet gebenchmarked aan de hand van vaste data van factoringfees gehanteerd buiten het [A] concern, in overigens vergelijkbare omstandigheden. (…)
In de TP rapporten wordt de CUP als meest geschikte methode gekenmerkt. De uitwerking die daar vervolgens aan gegeven wordt met gebruikmaking van creditratings en spreads op industriële bonds als [zijnde] representatief voor het kredietrisico op de debiteurenvorderingen van [A] is niet aanvaardbaar. Er wordt geen relatie gelegd met de door onafhankelijke factoringondernemingen gerealiseerde resultaten. (…)
De aanname dat de beslissing om te investeren in bedrijfsobligaties overeenkomt met het verlenen van een krediettermijn aan een onderneming is niet onderbouwd. Het is dan ook opmerkelijk dat dit als een CUP wordt gehanteerd. In de TP-rapporten is geen benchmark-study gedaan naar de door factoringondernemingen gerealiseerde resultaten. Dit is opmerkelijk gezien het feit dat een dergelijke benchmark wel heeft plaatsgevonden ten tijde van het sluiten van de [land 5] excess-profit ruling. Conclusie van die analyse was dat 95% van het door [H] gerealiseerde resultaat als excess-profit gekwalificeerd diende te worden.
Tot slot valt nog op te merken dat [H] de risico opslag bepaalt door de return op de bonds te verminderen met de 3 maands euribor rente. Dit is niet juist. De risico vrije rente die in de bond interest schuil gaat is of te leiden uit de rente op staatsobligaties met een vergelijkbare looptijd van 5 tot 7 jaar. Deze is in het algemeen een stuk hoger dan de euribor.
Bovendien is het opmerkelijk dat [bedrijfsnaam 2] ondanks de aanwezigheid van zeer dubieuze vorderingen op [bedrijfsnaam 1] een premie vraagt die aanmerkelijk lager ligt dan de aan [H] betaalde premie. Aan [bedrijfsnaam 2] wordt 4,5 bps [vergoed], terwijl voor het kredietrisico aan [H] 22,83 bps moet worden betaald. Dat is ruim het vijfvoudige.
3.744.537
(…)
Dit vergelijkbaarheidsonderzoek is gebaseerd op de zogenaamde transactional-net-marginmethode (“TNMM”). De Belastingdienst beschouwt deze verrekenprijsmethode, bij gebrek aan vergelijkbare ongelieerde transacties en betrouwbare financiële gegevens (…), als de meest geschikte methode om de intercompany-prijsbepaling van [H] voor de uitgevoerde factoringdiensten te testen.
(…)
Om vergelijkbare bedrijven te identificeren zijn verschillende zoekstappen toegepast (…).
De zoekcriteria resulteerden in de identificatie van 106 potentieel vergelijkbare bedrijven.
(…)
Gebaseerd op dit vergelijkbaarheidsonderzoek wordt de vergoeding voor factoringdiensten als at arm’s length beschouwd als [H] een Cost Plus verkrijgt van tussen 4% en 23%. De vergoeding van [H] , een Cost Plus van meer dan 1000%, valt buiten het bereik van de interquartile range en kan niet beschouwd worden als at arm’s length.”
vaststellingvan de risicopremie en
inningvan de risicopremies. Aan de hand van twee cijfervoorbeelden zal ik dit toelichten.
De door [bedrijfsnaam 2] verstrekte verzekering in 2007 dekt een risico van € 30 miljoen. (…) De daarvoor vastgestelde en door belanghebbende betaalde risicopremie bedraagt € 438.000. (…)
Risico (percentage) derhalve 1,46% (€ 438.000/€ 30.000.000)
(…)
Nu hetzelfde voor [H]
(€ 107.512/€47.154.392 = 0,228).
0,228% x € 660.000.000 = € 1.504.800.
0,0163% (€ 107.152/€ 660.000.000)
Hof: verwezen wordt naar beroepschrift van 5 april 2018, pt. 47]:
0,0217% (€ 143.640/€ 660.000.000)”
(…)
Meer bepaald werd ik gevraagd advies te geven naar [land 5] recht over de werking van de
recoursebepaling in art. 7(d) van de overeenkomst, en met name:
“- [1] of [H] reeds overgenomen risico’s kon terugleggen, dan wel alleen kon weigeren verdere, nieuwe facturen over te nemen;
- [2] of het op basis van deze bepaling mogelijk was dat [H] een factoringvergoeding (van 32 basispunten (0,32%), dus inclusief risicopremie) in rekening zou brengen voor facturen waarvoor zij (uiteindelijk) geen risico liep”.
(…)
Overigens is de ontwerp overeenkomst en dus ook dit beding [Hof: bedoeld is artikel 7(d) RPA] door [H] (…) opgesteld, zo werd mij op mijn vraag bevestigd door de opdrachtgever, wat ook daaruit blijkt dat hetzelfde ook voorkomt in overeenkomsten die [H] heeft gesloten met andere partijen.
(…)
Het antwoord naar [land 5] recht op de tweede vraag is dan ook dat het op basis van art. 7(d) niet mogelijk was dat [H] een factoringvergoeding van 32 basispunten, dus inclusief risicopremie, in rekening zou brengen voor de gevallen van
non-recoursefactoring.”
2009 € 3.948.640
2010 € 3.820.998
2011 € 4.110.000
2012 € 4.038.042
2013 € 3.109.283
2014 € 2.785.926
2015 € 2.825.645
2016 € 1.320.662
De belastbare basis werd op forfaitaire basis vastgesteld en op gunstige wijze belast.
De [land 5] wetgever heeft een bepaling ingevoerd die zei: ‘Om te vermijden dat onrechtmatig winsten worden verschoven naar [land 5] , worden de benefits van coördinatiecentra bij de winst gevoegd.’ Wij hebben een ruling gesloten met de [land 5] fiscus. In eerste instantie van 1995 tot 2000 en daarna van 2000 tot 2005. Die ruling van de [land 5] fiscus bepaalde de hoogte van de factoring fee tot 2005. Nadien is die factoring fee redelijk stabiel gebleven door de jaren heen. Nadien hebben wij ons beroepen op studies van externe adviseurs.
De afgesproken vergoeding met de andere vennootschappen was at arm 's length.
De voorzitter houdt mij voor dat wanneer een verzekering wordt overeengekomen, daarbij een prijs wordt overeengekomen op basis van gegevens zoals we die in de polis terugvinden. Dan is het aan belanghebbende om kredietlimieten af te geven, het is niet zo dat belanghebbende een korting krijgt. Zo heb ik het ook begrepen en ik verwijs naar het stuk van Verbeek , u zult ook tot die conclusie komen als u dat stuk leest.
de gemachtigde van belanghebbende:
De nieuwe contracten hebben een andere aanpak. Er wordt geen vaste factoring fee in rekening gebracht, maar per debiteur en tijdvak bekeken wat de betalingstermijn van de debiteur is. Ook wordt opnieuw gekeken naar de kredietwaardigheid. Wij blijven bij het standpunt – en dat is ook gevolgd door de rechtbank – dat de inspecteur niet de feiten aannemelijk heeft gemaakt dat de factoring fees onzakelijk zijn vanaf 2013. Voor de periode daarvoor geldt dat ook, want de factoring fees waren gelijk in die periode. Maar het is goed mogelijk dat de kredietwaardigheid per debiteur anders is na 2013. De kredietwaardigheid is niet verdisconteerd in de hoogte van de factoring fees, want de factoring fees waren allemaal gelijk. Om te weten of het risico-element excessief is, moet je de werkelijk in rekening gebrachte fee van 22 bps vergelijken met de kredietwaardigheid van de onderhavige debiteur. Die vergelijking is door de inspecteur nooit gemaakt.
(…)
(…)
Beoordeling
- de analyse van de inspecteur van de verhouding tussen de risicopremie in de factoring fees en het daadwerkelijk door [H] gelopen risico berust op een onjuist begrip van de feiten;
- volgens belanghebbende is het niet zo dat [H] gemiddeld jaarlijks een risicopremie in rekening heeft gebracht van ca. € 2,5 miljoen, terwijl de maximale schade in een jaar niet hoger was dan € 3 miljoen, zodat er daarom een wanverhouding zou zijn;
- de risicopremie in de factoring fee bedroeg volgens belanghebbende 0,22% van de omzet. Er is volgens belanghebbende nooit risicopremie in rekening gebracht met betrekking tot facturen waarvoor [H] niet het debiteurenrisico heeft gelopen;
- [H] heeft jaarlijks gemiddeld ongeveer € 2,5 miljoen risicopremie in rekening
- in beginsel verplicht artikel 1 RPA Pro [H] tot overname van het debiteurenrisico op alle facturen die [I] aan haar afnemers verstuurt;
- artikel 7(d) RPA bevat een uitzondering en geeft [H] de bevoegdheid te weigeren nog meer vorderingen op een bepaalde debiteur over te nemen als de betalingsachterstand van die debiteur zes maanden of € 3 miljoen overschrijdt. De functie daarvan is het voorkomen van het verder oplopen van de schade in het hypothetische geval dat er bij een bepaalde debiteur duidelijke signalen zijn van naderend onheil, maar [I] tegen beter weten in zou weigeren de leveringen aan die afnemer te beperken of op te schorten;
- in de praktijk is het nooit nodig geweest artikel 7(d) RPA in te roepen, omdat [H] intensief betrokken was bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van de afnemers en het vaststellen van het kredietbeleid van [I] . Artikel 7(d) RPA was meer een noodrem;
- het is een denkfout van de inspecteur dat [H] door het inroepen van 7(d) RPA haar risico tot € 3 miljoen per jaar zou kunnen beperken: ten eerste is pas sprake van een betalingsachterstand als de reguliere betalingstermijn van 30 dagen is verstreken (er is dus altijd tenminste één maand omzet geleverd, gefactureerd en overgenomen; bij de grotere afnemers gaat het dan al om tientallen miljoenen); en ten tweede geldt de grens van € 3 miljoen of zes maanden betalingsachterstand per debiteur. Het risico dat [H] loopt voordat artikel 7(d) RPA wordt ingeroepen moet derhalve met het aantal afnemers worden vermenigvuldigd, en
- als [H] op enig moment artikel 7(d) RPA zou inroepen, dan zou zij vanaf dat moment op nieuwe facturen alleen nog ‘recourse factoring’ hebben toegepast. In dat geval bepaalt de slotzin van artikel 7(d) RPA dat vanaf dat moment een nader overeen te komen gereduceerde vergoeding zal gelden, logischerwijs een vergoeding zonder risicocomponent.
€ 14.283.917 per jaar. De totale kosten van [H] (die blijken uit de jaarrekeningen) houden volgens belanghebbende verband met twee activiteiten:
(a) de EU-office, een afdeling die relaties onderhoudt met EU-instellingen in [plaatsnaam 3] en waarvan de kosten worden doorbelast met een winstopslag van 8%, en
(b) de factoringactiviteiten.
Daarvan uitgaande zou de vergoeding voor dienstverlening op cost plus 6-basis volgens belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2016 als volgt bedragen:
2009 1.943.431
2010 1.610.443
2011 2.706.257
2012 2.681.099
2013 1.824.728
2014 1.521.103
2015 1.595.230
2016 759.563
Op 15 oktober 2007 is de debiteur [bedrijfsnaam 1] voor een maximum in dekking genomen, tegen een risicopremie van € 396.900 (14,7% x € 2.700.000). Volgens de inspecteur verzekerde [bedrijfsnaam 2] niet alleen [bedrijfsnaam 1] , maar ook de overige debiteuren van [I] . Dit blijkt volgens hem uit de verzekeringspolis, waarin een verzekerd risico van € 30 miljoen is genoemd, en uit de wijze waarop de premies worden geïnd, te weten over de totale omzet van [I] ;
(…)”
5.5.6.2. Opmerkelijk is voorts dat voor de met de factoring verband houdende administratieve werkzaamheden in de TP rapporten van [A] van 2010 en 2013 – in afwijking van het TP rapport van PwC uit 2008 – wordt aangesloten bij het voor ondersteunende werkzaamheden geldende concernbeleid waarbij een cost plus 6%-vergoeding wordt aangehouden. Wat daarvan cijfermatig de consequenties zijn is in de rapporten van [A] van 2010 en van 2013 echter niet uitgewerkt (in het bijzonder niet waar het betreft de cijfermatige grondslag van de ‘plus’). De rapporten van [A] van 2010 en 2013 bevatten derhalve niet een cijfermatige onderbouwing van de ondersteunende werkzaamheden. Uit die rapporten wordt dan ook niet duidelijk hoe de daadwerkelijk daarvoor aan (onder meer) [I] in rekening gebrachte (omzetgerelateerde) factoring fees zich tot een – volgens het rapport uit 2010 als ‘at arm’s length’ beschouwde – cost plus 6%-vergoeding zouden verhouden.
5.8.5. Nu meer nauwkeurige gegevens in het dossier ontbreken, volgt het Hof – evenals de rechtbank – de berekening van de inspecteur in bijlage 1 bij het controlerapport. Het Hof acht het aannemelijk dat de door de inspecteur berekende kosten niet lager zijn dan de kosten die volgens de in 5.8.3 en 5.8.4 vermelde bronnen in aanmerking zouden moeten worden genomen.
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten (incl. mark up)
voor administratieve
werkzaamheden
440.436€ 3.744.537
Premiedeel risico-element
80
licentiehouders dan [F]
348.399Correctie € 3.316.138
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten (incl. mark up) voor
administratieve werkzaamheden
396.032
80€ 3.868.640
licentiehouders dan [F]
165.863Correctie € 3.702.777
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten (incl. mark up) voor
administratieve werkzaamheden
384.991
80€ 3.740.998
174.437
466.656€ 3.967.456
Premiedeel risico-element
80€ 3.887.456
Deel [E] i.v.m. andere
licentiehouders dan [F]
203.709Correctie € 3.683.747
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten (incl. mark up) voor
administratieve werkzaamheden
474.958€ 4.038.042
Premiedeel risico-element
80€ 3.958.042
Deel [E] i.v.m. andere
licentiehouders dan [F]
158.667Correctie € 3.799.375
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten (incl. mark up) voor
administratieve werkzaamheden
365.717€ 3.109.283
Premiedeel risico-element
80€ 3.029.283
Deel [E] i.v.m. andere
licentiehouders dan [F]
78.667Correctie € 2.950.616
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten (incl. mark up) voor
administratieve werkzaamheden
324.683€ 2.785.926
Premiedeel risico-element
80Correctie € 2.705.926
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten (incl. mark up) voor
administratieve werkzaamheden
332.355€ 2.825.645
Premiedeel risico-element
80Correctie € 2.745.645
De aan [I] , [E] en
buitenlandse distributeurs toe
te rekenen kosten voor (incl. mark up)
administratieve werkzaamheden
155.338€ 1.320.662
Premiedeel risico-element
80Correctie € 1.240.662
5.17.2.2. Het Hof acht het door belanghebbende in haar aangifte ingenomen standpunt ook niet pleitbaar. Het Hof refereert hier aan hetgeen hiervoor onder 4.2.27 en in rechtsoverweging 3.3.4 van uitspraak 3 over pleitbaarheid in het algemeen is overwogen. Naar de daar uiteengezette juridische maatstaf en met inachtneming van al hetgeen hiervoor inhoudelijk over de rechtmatigheid van de door de inspecteur voorgestelde bijtellingen (zoals deze door het Hof nader zijn vastgesteld, zie 5.15.5 en 5.15.6) is overwogen, zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat het ter zake van de factoring in de aangiften ingenomen standpunt pleitbaar is. Het Hof verwijst op dit punt nader naar hetgeen is overwogen onder 17.5.2.13.
6.Garantiefees
Hof: voor de op deze plaats opgenomen tabel wordt verwezen naar de tabel in het hierna opgenomen onderdeel 1.3.5 van uitspraak 3]
Parent/Subsidiary Links
Verslag overleg 27 maart 2013
Hof: de op deze plaats in uitspraak 1 aangehaalde passages zijn – teneinde een doublure te voorkomen – opgenomen in de weergave van het controlerapport onder 6.1.12.]
Hof: voor de hier opgenomen tabel wordt verwezen naar de tabel in het hierna opgenomen onderdeel 1.3.5 van de uitspraak van 15 december 2023, HAA 20/4350 tot en met HAA 20/4353]
Group policy on ‘implicit support’ before 2014
Group policy on ‘implicit support’ as of 2014
This results in a more meaningful price, the benefit associated with implicit support is usually marginal. Pricing based on theoretical scenarios is more difficult and less meaningful.(…)
a) Core entities
Hof: wat op deze plaats in dit onderdeel is opgenomen is vrijwel ongewijzigd overgenomen in de Guidelines 2017, zoals hierna geciteerd in 6.1.12]
Vanuit het perspectief van [B] wordt door het garant staan voor de leningen van [X1] de stroom dividenden (meer dan 100% van de winst wordt uitgedividend) gegarandeerd. Dit is in het eigen belang van [B] c.q. haar aandeelhouders. Een fee is daarmee overbodig en ligt in de dividendsfeer.
De afgeleide rating komt niet overeen met de stand-alone rating die de vennootschap zou hebben als ze geen deel uitmaakte van een groep. Bij de bepaling van de afgeleide rating is de positie van de concernvennootschap binnen de groep van belang.
Zeer onwaarschijnlijk dat vennootschap wordt verkocht
Opereert in lijn met de groepsstrategie
De aanwezigheid van sterke lange-termijn ondersteuning door het groepsmanagement
Is redelijk succesvol.
Is een significant groepsonderdeel of is volledig geïntegreerd in de groep
Er is sprake van een nauwe band met de reputatie, naam of risico-management van de groep
De activiteiten worden al meer dan vijf jaar uitgevoerd
Deelt dezelfde naam of merk
Is vanwege juridische en fiscale redenen een aparte vennootschap maar opereert meer als een divisie of profit-center
Heeft een kapitalisatiegraad overeenkomend met het kredietprofiel van het concern
Relevante criteria
het verschijnsel, dat een concernvennootschap gunstiger leningsvoorwaarden zou kunnen bedingen als gevolg van de veronderstelling van de kapitaalmarkt, dat het concern de betreffende concernvennootschap in staat zal stellen aan haar verplichtingen te voldoen zonder dat er sprake is van een expliciete garantie”zal ik in dit hoofdstuk nader ingaan op de criteria die relevant zijn voor het bestaan van IS.
Criteria for notching up standalone ratings of companies based on parent support”(Bijlage 6). In deze publicatie zijn criteria opgenomen:
Strategic importance to the parent
Extent of parent holding
Economic incentive to the parent
Extent of management control
Shared name
Domiciliary status
Stated posture of the management
Listing status / Propensity to raise funds from capital markets
If the parent is a public limited company listed on a stock exchange, the propensity to support its subsidiary will be high as a default on a debt obligation by the subsidiary may adversely affect any plans of the parent to raise funds from the capital market.”
Below are two cases that illustrate situations that involve subsidiary or affiliated issuers that are financially, strategically, and operationally intertwined with higher-rated issuers. Both cases involve subsidiaries/affiliates with well-established profitable business that are financially independent of the parent, and are essential to the ongoing operations of there respective parents. On a stand alone basis, both subsidiaries benefit economically from the association with their parent, a factor incorporated into the subsidiaries’ ratings.”
Schlumberger Technology Corporation ( [U] ) – (A2 sr. unsecured), is a wholly owned U.S. domiciled subsidiary of Schlumberger Ltd. (SLB) – (A1 sr. unsecured). [U] is an oil field service company… … The Debt incurred bij [U] is not guaranteed by SLB. On a standalone basis, [U] has a moderate investment grade profile. The ratings lift provided by Schlumberger Ltd is a result of the financial and strategic importance and operational alignment with the rest of the SLB group.”
moderate investment grade’,uit het schema blijkt dat dit uitkomt op een rating Baa1/A3. De werkelijke rating van [U] is echter A2. Het verschil in rating als gevolg van implicit support bedraagt aldus 1 á 2 notches.
Verweerder verwijst ter onderbouwing van deze stelling met name naar de onder 1.3.18 weergegeven passage uit het rapport van het boekenonderzoek onder ‘(iii) Afgeleide rating’. Eiseres heeft de door verweerder daarin opgenomen feiten ten aanzien van eiseres en [X2] alsmede de daaruit te trekken conclusie dat volgens de in 2013 gepubliceerde criteria van S&P eiseres is aan te merken als een core vennootschap en dat S&P voor core vennootschappen uitgaat van een creditrating overeenkomend met de concernrating, onvoldoende weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende concreet onderbouwd dat eiseres in de jaren dat de garanties zijn verstrekt (2004, 2006 en 2010) een dermate groot strategisch belang had voor het concern, dat de afgeleide rating van eiseres aansloot bij de concernrating. Voor zover eiseres verwijst naar de publicatie van S&P van 28 oktober 2004, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. De criteria van S&P uit 2013 geven een nadere invulling aan hetgeen al in de publicatie van 2004 tot uitgangspunt wordt genomen.
Het staat verweerder dan ook vrij om zijn stelling aannemelijk te maken aan de hand van de later gepubliceerde criteria. Weliswaar wordt daarin naast andere factoren mede van belang geacht of een dochtervennootschap in hetzelfde land als de moedermaatschappij is gevestigd, maar een doorslaggevende rol komt hieraan niet toe, zoals in de publicatie ook wordt opgemerkt: “There is no magic formula for the combination of these factors that would lead to one analytical approach or another”. Feiten of omstandigheden die het voor [B] - door het enkele feit dat zij niet in hetzelfde land als eiseres is gevestigd - makkelijker zouden maken om zich te distantiëren van eiseres in het geval zij in financiële problemen zou komen, zijn tegenover de door verweerder genoemde omstandigheden die juist voor vergaande ondersteuning door [B] pleiten, onvoldoende gesteld of gebleken.
.Een en ander blijkt uit de tweede bullet van het uittreksel uit het rapport (zie onder 6.4.2).
There is no formal guidance from the Dutch tax authoritieswhether the arm's length principle requires the beneficiary's relationship with its parent to be disregarded (i.e. the standalone approach) or to be regarded as having an impact on the guarantee fee (i.e. passive association/implicit support approach). However, based on informal discussion with the Dutch tax authorities, passive association
could be required to be taken into accountin substantiating the arm's length guarantee fee." (onderstreping toegevoegd door gemachtigde)”
Leningen en garanties onder het Verrekenprijsbesluit 2022’, WFR 2022/211, waarin een overzicht is gegeven van ontwikkelingen rond ‘implicit support’. De auteur zet uiteen dat zowel de European Banking Authority als de hoogste belastingrechters in [land 15] en [land 10] zich terughoudend opstellen en in beginsel geen rekening houden met de mogelijkheid van implicit support wanneer die niet is gebaseerd op een juridisch afdwingbare verplichting.
Op andere standpunten gaat de rechtbank in het geheel niet in, te weten:
Loan Guarantees” blijk van een deugdelijke onderbouwing van de verrekenprijzen onder verwijzing naar de diverse (al overhandigde) bankrapporten. Tevens volgt uit de rapporten dat het [A] -concern wereldwijd hetzelfde beleid heeft gevolgd, te weten dat de hoogte van een garantiefee werd bepaald door een vergelijking tussen de stand-alone rente en de rente met een garantie van [B] .
- het is zeer onwaarschijnlijk dat de vennootschap wordt verkocht;
- de vennootschap opereert in lijn met de groepsstrategie;
- de aanwezigheid van sterke lange-termijn ondersteuning door het groepsmanagement;
- de vennootschap is redelijk succesvol;
- de vennootschap is een significant groepsonderdeel of is volledig geïntegreerd in de groep;
- er is sprake van een nauwe band met de reputatie, naam of risicomanagement van de groep;
- de activiteiten van de vennootschap worden door haar al meer dan vijf jaar uitgevoerd;
- de vennootschap deelt dezelfde naam of merk van de groep;
- vanwege juridische en fiscale redenen is de vennootschap zelfstandig maar zij opereert meer als een divisie of profit-center;
- de vennootschap heeft een kapitalisatiegraad overeenkomend met het kredietprofiel van het concern.
nietkan worden aangemerkt als een core vennootschap. Bij dat stuk was een rapport van EY UK Capital Markets Team gevoegd waarmee zij meent haar standpunt, dat sprake zou zijn van zakelijke garantiefees, te onderbouwen. EY UK neemt in het rapport het standpunt in dat ‘implicit support’ waarschijnlijk tot maximaal 1 notch uplift van de stand-alone rating van belanghebbende zou hebben geleid. Deze stelling wordt echter niet onderbouwd. Deze veronderstelling is volgens de inspecteur bovendien niet in overeenstemming met de wijze waarop rating agencies de afgeleide rating van een groepsonderdeel bepalen.
borgstellingsprovisie van 3.2 mio naar 16.7 mio (+13.5 mio)” is toegenomen. Belanghebbende heeft evenwel zonder aanvullend bewijs, dat ontbreekt, tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie met toelichting de inspecteur heeft bereikt, en dus evenmin dat hem om die reden duidelijk zou moeten zijn geweest dat het de garantiefees betrof. Er zijn kennelijk ook geen schriftelijke vastleggingen voorhanden van het antwoord aan de inspecteur op zijn gestelde vragen, zodat niet kan worden vastgesteld welke informatie aan hem is overgebracht. Met haar verwijzing naar het hiervoor genoemde telefonische overleg en de interne communicatie heeft belanghebbende derhalve niet aannemelijk gemaakt dat er in 2007 voor de inspecteur aanleiding behoorde te zijn voor vraagstelling of onderzoek naar garantiefees. Anders dan belanghebbende kennelijk voorstaat, is het Hof van oordeel dat op de inspecteur in dezen niet de last rust om het tegendeel van belanghebbendes stelling te bewijzen, daartoe acht het Hof hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd van onvoldoende gewicht.
6.6.14.2. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat zij geen rekening kon houden met implicit support – en dat de inspecteur daar volgens haar kennelijk ook nog geen kennis van droeg – tot het Verrekenprijsbesluit van 14 november 2013 en de daaraan nieuw toegevoegde paragraaf 10 inzake ‘Garantstelling bij leningovereenkomsten’. De discussie daarover is volgens haar voordien niet eerder dan met de uitspraak van 15 december 2010 van het Canadese Federal Court of Appeal in de zaak Her Majesty the Queen tegen General Electric Capital Canada Inc, 2010 FCA 344 (hierna: 2010 FCA 344 of GE-zaak), op gang gekomen. Belanghebbende heeft gewezen op literatuur waarin onder meer de ontwikkelingen in andere landen is geschetst. Het Hof verwerpt dit standpunt van belanghebbende en overweegt daartoe, naast hetgeen hiervoor onder 6.6.14.1 is overwogen, nader als volgt. Waar het om gaat is dat indien een onzakelijke betaling voor intra-group services in aftrek is gebracht, deze onzakelijke aftrekpost op grond van het (Nederlandse) nationale belastingrecht – dient te worden gecorrigeerd. Dat geldt ook voor een garantiefee, indien in feitelijke zin kan worden vastgesteld dat daar in de markt voor kredietverlening (bij het vaststellen van rentetarieven) geen ruimte voor is, vanwege de aanwezigheid van ‘implicit support’ (zie hierna ook onder 6.6.21).
eigenaarwas van de (core) trade marks, maakt niet dat zij geen core vennootschap was, gezien hetgeen in dat verband hiervoor onder 6.6.21 is overwogen.
in beginselaannemelijk gemaakt dat de vereiste aangifte voor deze jaren niet is gedaan met als gevolg dat de bewijssanctie op belanghebbende van toepassing is. Vervolgens dient beoordeeld te worden of is voldaan aan het bewustheidsvereiste in het kader van de vereiste aangifte.
7.[F] -exit
De kosten van de diensten aan [land 10] , [land 11] en [A] Nederland worden gedragen in [land 6] , waar ook de winst en het verlies uit deze markten vallen.”
Hof: zie hoofdstuk 9, onder 9.1.1, overweging 1.8.2 van uitspraak 2]. Deze gemaakte afspraken waren conform de standaardovereenkomst van het concern. Over de beëindiging van de overeenkomst werd het volgende bepaald:
Hof: zie hoofdstuk 8, onder 8.1.1, overweging 1.6.2 en 1.6.3 van uitspraak 2] tabaksproducten in van [D] en verkocht die onder ‘Distribution Agreements’ aan de distributiemaatschappijen. De goederenstroom verliep rechtstreeks van de fabrieken naar de distributiemaatschappijen. De 20 à 25 werknemers die zich bezighielden met deze activiteiten vormden het zogeheten [team 1] . Deze werknemers stonden op de loonlijst van [X1] en waren verdeeld over de afdelingen Exports Finance en Exports Supply Chain. Op basis van een ‘Services Agreement’ was [X1] serviceprovider ten behoeve van onder meer [F] , en leverde het [team 1] uiteenlopende financiële en administratieve diensten.
Hof: zie hoofdstuk 8, onder 8.1.2].
De diensten die door ACO aan [F] werden verricht waren gebaseerd op een ‘Service Level Agreement’.
Group Trading Model change for the [regio] Region
[F] ] markets, [land 23] and [land 24] will be given 12 months’ notice and will enter distribution agreements effective from 1st June 2016
In een begeleidende brief bij de aangifte van 14 december 2017 vraagt eiseres verweerder aandacht voor het feit de licenties van [F] ten aanzien van de GDB en internationale merkenrechten per 1 juni 2016, na een opzegtermijn van 12 maanden, zijn beëindigd. Voor verdere details verwijst eiseres naar eerdere correspondentie en besprekingen in de voorafgaande anderhalf jaar.
- (…)
- De [regio] export en licentie-activiteiten (zoals de [land 8] branch, en de [land 6] , [land 11] en [land 10] licentie-activiteiten) naar de nieuw op te richten dochtervennootschap [O] B.V. (“ [O] ”).
(…)
a. (…)
b. De [land 8] marketing, distributie en verkoopactiviteiten (inclusief de merkrechten) die aldaar door middel van een vaste inrichting worden uitgeoefend, alsmede de [land 6] , [land 10] en [land 11] merkrechten met samenhangende activiteiten overgedragen door (…) [N] aan [O] .
(…)
een dergelijk contract nooit enige waarde vertegenwoordigt, omdat de TMO het contract op elk moment kan opzeggen en de licentiehouder dan met lege handen achterblijft. Aan de andere kant is het wellicht reëler om bij contracten voor onbepaalde tijd uit te gaan van de verwachte feitelijke looptijd. In de meeste gevallen zal die laatste benadering leiden tot een waardering op basis van een onbeperkte looptijd, omdat er geen intentie of verwachting bestaat dat de licentie in de voorzienbare toekomst zal worden opgezegd.
(…).”
Interpretation
(…)
Commencement Date” means 01 January 2010
(…)
Core Trade Marks” means the trade marks set out in Schedule 1 and any trade mark which incorporates, includes or is similar to such trade marks, (…).
(…)
Effective Date” means the effective date as set out in Schedule 2, Part II, column 6.
Pre-Existing Licenses” means any license agreements under which the Licensee has or had immediately prior to this Agreement the right to use the Core Trade Marks, the Trade Marks, the Innovations and Technology and/or the Intellectual Property in the Communications Packages including, but not limited to, the license agreements identified in Schedule 2.
(…)
Grant and Restriction
(…)
GRANT
(…)
(…)
TERM
(…)
TERMINATION
Hof: volgen omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die als vermeld in art. 13 van Pro de TMTAA].”
(…)
Fiscaal behoort [F] tot de fiscale eenheid vennootschapsbelasting [X2] [noot:
Op oprichtingsdatum 1 juli 2008 was dat nog de fiscale eenheid [X1] ]. Als gevolg van de geruisloze inbreng zijn de licenties (met op dat moment een actuele waarde van € 1 mld.) fiscaal tegen boekwaarde (nihil) ingebracht.
Headcount [F](…)
(…)
Project Mega(…)
In interne communicatie wordt er over deze Strategic Review [
het Hof begrijpt: het project Mega] geschreven dat:
‘’this review has been led by each of the Functional Directors (…)”Deze functional directors bevinden zich allen in [land 1] en vormen tezamen met de Director [regio] het [F] -team (…).
(…)
[F] BV background and impact of restructuringIn juli 2016 wordt door [A] met de notitie “ [F] BV background and impact of restructuring” nader ingegaan op de gevolgen van het opzeggen van de licentieovereenkomsten. De notitie concludeert dat de overeenkomsten met een contractuele drie-maands-opzegtermijn zijn opgezegd met inachtneming van een twaalf-maands opzegtermijn. Daarnaast constateert men geen enkele vorm van overdracht van materiële of immateriële activa als gevolg van het beëindigen van de licentieovereenkomsten. Evenmin heeft er volgens [A] overdracht plaatsgevonden van (een deel van) de onderneming of van het personeel (…).
(…)
(…)
3.4.2
Contractuele bepalingen(…)
Toegekende rechten en vergoedingenOp grond van de licentieovereenkomsten heeft [F] het niet-exclusieve recht verkregen om gebruik te maken van handelsrechten, innovaties, technologieën en overig intellectueel eigendom teneinde het kunnen (laten) vervaardigen, importeren, vermarkten, distribueren en verkopen van bepaalde merken sigaretten in specifiek omschreven landen.
(…)
(…)
5.1.3
Organisatiemodel en other options realistically (no longer) available(…)
We hebben gevraagd naar de informatie die binnen [A] Nederland beschikbaar is met betrekking tot genoemde projecten OneMarketing en Mega. Ondanks het feit dat bijvoorbeeld uit het TP-rapport blijkt, dat deze projecten de ‘facilitators’ zijn geweest voor de centralisering, waarvan het opzeggen van de licentieovereenkomsten in 2015 voor [F] het sluitstuk is geweest, beschikt [F] niet over informatie over deze projecten. In het TP rapport ‘Case for Change’ is een korte samenvatting over de impact van MEGA opgenomen. Deze samenvatting begint aldus:
“Project MEGAOp 18 November 2013 [A] ’s Global Management Board announced the commencement of astrategic reviewof the Centre and RBU’s within the organization.”
(…)
Desgevraagd heeft [F] meegedeeld (ook) niet te beschikken over de Strategische beoordeling (Strategic Review) waar men in de brief aan het UWV naar verwijst.
(…)
Initiële waardering deelneming [F](…)
Uit de door [A] verstrekte waardering (…) is gebleken dat de actuele waarde van € 1 mld. is gebaseerd op een waardering van [F] die uitgaat van eeuwigdurende kasstromen. (…) Er wordt geen enkele waardedrukkende correctie aangebracht bijvoorbeeld vanwege het feit dat de licentieovereenkomsten dagelijks opzegbaar zijn met een opzegtermijn van drie maanden. In het bezwaarschrift van 10 augustus 2018 tegen de aanslag Vpb. over het jaar 2014, legt [A] uit:
Vervolgwaardering deelneming [F]Nadat de inbreng van de licentieovereenkomsten in [F] heeft plaatsgevonden tegen een waarde van € 1 mld, wordt vanaf dat moment, ten behoeve van de jaarrekening van [Q] , periodiek onderzocht of en in hoeverre de deelneming [F] in waarde is gedaald. De grondslag voor de waardering van de deelneming [F] in de jaarrekening van [Q] luidt verkrijgingsprijs dan wel lagere marktwaarde. (…)
(…)
In de jaren 2008 tot en met 2014 heeft géén impairment op de verkrijgingsprijs van [F] plaatsgevonden.
(…)
In 2015 heeft [Q] voor het eerst (commercieel) een impairment toegepast op de waarde van [F] . De impairment bedraagt in dat jaar € 891 mln. En is het verschil tussen de commerciële kostprijs en de (resterende) liquidatiewaarde van [F] . [A] licht de impairment als volgt toe (…):
Waardering [land 26]Niet alleen uit de inbreng van de licentierechten in [F] , de waardering van [F] in de commerciële jaarrekening en de (ontbrekende) impairments blijkt dat [A] altijd uitgaat van overeenkomsten met een eeuwigdurende cash flow. Ook in een verder verleden is dit het consistente uitgangspunt van [A] geweest, bijvoorbeeld in eerdere discussies met de Belastingdienst.
Zo heeft [I] in december 2000 voor een bedrag van € 375 mln. haar belang in een [land 26] deelneming uitgebreid. De verkrijgingsprijs was gebaseerd op de contante waarde van de eeuwigdurende kasstromen van deze deelneming. In het jaar ná de aankoop is er volgens [A] aanleiding de deelneming met circa € 212 mln. af te waarderen. [A] neemt als gevolg daarvan een last op in haar aangifte (…)
[A] legt uit dat de waarderingen zijn gedaan op basis van de aanname dat licenties niet zullen worden opgezegd en waar nodig zullen worden verlengd. (…)
Waardering [land 23] en [land 22]Wij hebben laten zien dat [A] in 2000 bij [bedrijfsnaam 70] en in 2008 bij [F] uitgaat van een waardering op basis van eeuwigdurende cash flows bij dagelijks opzegbare licentieovereenkomsten met een onbepaalde looptijd en een opzegtermijn van drie maanden. Uit het onderzoek is gebleken dat deze consistente gedragslijn ook in latere jaren binnen [A] wordt toegepast. (…)
[De] deelnemingen [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 46] , zijn qua activiteiten en verdienmodel vergelijkbaar met [F] . Naast TMO voor lokale merken (…) zijn zij eveneens licentienemer voor GDB merken. Voor wat betreft deze merken bestaat de key value driver uit licentieovereenkomsten met een onbepaalde looptijd en een opzegtermijn van drie-maanden. Ook deze deelnemingen worden gewaardeerd uitgaande van een eeuwigdurende cash flow, dit geldt zowel ten aanzien van de local brands als voor de GDB (…).
De gedateerdheid van de voorbeelden wekt de indruk, dat het beëindigen van langdurige overeenkomsten wereldwijd nauwelijks voorkomt. De voorbeelden zijn bovendien ontleend aan openbare bronnen waarbij de achterliggende feiten en omstandigheden en daarmee de vergelijkbaarheid en relevantie grotendeels onbekend zijn.
Het afzien van (stilzwijgende) verlenging van meerjarige contracten verschilt echter wezenlijk van het opzeggen van contracten voor onbepaalde tijd, zoals dit bij [F] is gebeurd. Dit verschil is met name relevant wanneer het om de verschuldigdheid van een beëindigingsvergoeding gaat.
bepaalde looptijdniet resulteert in een beëindigingsvergoeding, dan betekent dat niet dat in gelieerde verhoudingen het tussentijds beëindigen van een overeenkomst met een
onbepaalde looptijdzonder vergoeding zakelijk is. De aangehaalde situaties zijn niet vergelijkbaar. Indien bij licentieovereenkomsten uitsluitend de opzegtermijn en niet de looptijd relevant zou zijn, dan zou het immers niet uitmaken of contracten voor 5 jaar of voor onbepaalde tijd zijn aangegaan.
bepaalde tijd, te weten drie jaar, met een opzegtermijn van twaalf maanden. Zoals bekend had [F] contracten voor
onbepaalde tijdmet een opzegtermijn van ten minste drie maanden. Daarbij wist [bedrijfsnaam 71] reeds in haar jaarrekening 2008 te melden, dat de licentieovereenkomst met [bedrijfsnaam 29] , de rechtsopvolger van [bedrijfsnaam 72] , in 2010 ten einde zou komen. Zoals in paragraaf 5.2.1. is uiteengezet, is het niet verlengen van een (meerjarig) contract voor bepaalde tijd, zeker ten aanzien van een beëindigingsvergoeding, naar onze mening niet vergelijkbaar met het tussentijds opzeggen van een contract voor onbepaalde tijd.
De waarde die het contract met [bedrijfsnaam 29] voor [bedrijfsnaam 71] had, was steeds gebaseerd op een aflopende termijn van drie jaren. Door niet tussentijds op te zeggen heeft [bedrijfsnaam 29] dit gerespecteerd en was er geen aanleiding voor compensatie.
250 261 263 293
155 215 283 269
(…)
(…)
Omdat deze transacties plaatsvonden binnen de fiscale eenheid, hebben zij destijds geen fiscale gevolgen gehad (…).
We hebben die stelling niet laten vallen, belanghebbende merkt ten onrechte op dat we onze stelling dat het [team 2] relevant is voor de beoordeling van de [F] -exit uitdrukkelijk en ondubbelzinnig hebben prijsgegeven. Met het [team 2] bedoel ik zowel de functie, het bestaan en de afbouw van het [team 2] . Onder andere vanwege de aanwezigheid van het [team 2] was [F] een full-fledged onderneming.
Die contracten zijn opgegaan in het contract van 2010. Daarnaast waren er nog andere contracten die doorliepen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [F] met 20 trade mark owners (TMO’s) contracten had. Stel dat sprake was van 57 licenties. Veertien daarvan zijn in 2010 geconsolideerd in één nieuw contract. De andere 43 liepen door. De meeste contracten zijn dus niet nieuw.
De normale gang van zaken is dat er geen recht op compensatie bestaat. Een overzicht van de betreffende jurisprudentie vindt u in productie 7 bij ons beroepschrift in eerste aanleg.
Belanghebbende is daarnaast van mening dat de veertien overeenkomsten die opgenomen zijn in de TMTAA andere bepalingen bevatten dan de TMTAA. De inspecteur gaat er in een ander stuk vanuit dat de overeenkomsten uit 2008 hetzelfde of vergelijkbaar zijn met de overeenkomst uit 2010. De voorzitter vraagt partijen of ervan uit gegaan mag worden, als het gaat om de overeenkomstrechtelijke aspecten, dat de licentierechten overeenkomen met de TMTAA van 2010.
In 2010 zijn er vijftien daarvan omgezet in de TMTAA. De 35 andere licentierechten zijn niet omgezet en die liepen door.
De voorzitter vraagt de gemachtigde van belanghebbende hoe hij dit ziet.
[naam 17]verklaart in tweede termijn het volgende:
(…)
De stelling van eiseres dat verweerder niet beschikt over een nieuw feit ten aanzien van de navordering in 2013 voor wat betreft de overdrachtswinst, behoeft gelet op het voorgaande ook geen behandeling.
Dat ligt om meerdere redenen ook in de rede. Het at arm’s length-beginsel strekt namelijk mede ertoe de economische realiteit van de specifieke feiten en omstandigheden van de tot een concern behorende belastingplichtige te weerspiegelen (zie § 1.13 van de OESO-richtlijnen 1995). Een analyse van de binnen een concern gesloten overeenkomsten zou daartoe niet zonder meer volstaan, omdat die overeenkomsten naar believen kunnen worden aangepast aan de (fiscale of andere) strategieën van het concern als geheel (zie § 1.39 van de OESO-richtlijnen 1995).
35.05
De rechtbank acht aannemelijk dat deze risico’s reeds zijn verdisconteerd in hoogte van zowel de geschatte toekomstige kasstromen als de gehanteerde disconteringsvoet, zoals betoogd door verweerder.
Het advies van PwC van december 2015 beschrijft uitgebreid dat reorganisaties zoals de onderhavige kunnen resulteren in een overdracht van materiële of immateriële activa of van activiteiten waar een zakelijke vergoeding tegenover dient te staan. Volgens PwC is dat in de voorgenomen reorganisatie niet aan de orde. Dit wordt mede gebaseerd op de veronderstelling dat (‘technically’) geen activa of functies zijn overgedragen tussen groepsvennootschappen of zijn verschoven over landsgrenzen. Daarvan uitgaande beperkt de analyse zich vervolgens tot de vraag of de opzegging van de licenties at arm’s length was. Zoals hiervoor onder 3.2.16 werd overwogen, geeft dat blijk van een te beperkte blik op het feitencomplex, dat – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is – in zijn volle omvang aan eiseres bekend was. Daar komt nog bij dat ook in de hiervoor onder 1.7.22 en 1.7.23 aangehaalde interne presentaties van eiseres uitdrukkelijk van een overdracht wordt gesproken. Om deze redenen ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd redelijkerwijs geen grond om te twijfelen dat bij [F] een bevoordelingsbedoeling aanwezig was ter zake van de overdracht van de onderneming.
Het is belanghebbende niet duidelijk op grond van welk leerstuk de rechtbank van de hiervoor beschreven civielrechtelijke werkelijkheid heeft kunnen afwijken, laat staan – en dan gaat het over de boete – heeft kunnen beslissen dat de door belanghebbende gevolgde civielrechtelijke benaderingswijze niet pleitbaar is.
Deze verschillen worden geïllustreerd door een toename van de royalty’s van 2009 op 2010 met bijna 35%. De rechten van vóór 2010 en van na 2010 kunnen derhalve niet met elkaar worden vereenzelvigd. Voorts ontstaat er volgens belanghebbende in 2010 ter zake van de oude licentierechten hooguit een heffingslek van € 10.000.000, daarbij – naar het Hof het standpunt van belanghebbende begrijpt – ervan uitgaande dat de oude rechten bij [F] een boekwaarde hadden van € 1.690.000.000 en dat zij bij beëindiging van die rechten een compensatie zou ontvangen van € 1.700.000.000.
(i) een licentieovereenkomst tussen [V] Private Limited ( [V] ) en de [U] Company Limited ( [U] ) van 7 december 2010; in artikel 16.9 van deze overeenkomst is bepaald dat bij opzegging geen compensatie verschuldigd is;
(ii) een licentieovereenkomst tussen NBA Properties Inc. en Crystal Magic Inc. van 23 oktober 2007, en
(iii) een licentieovereenkomst tussen CS Sportswear Inc. en Yes Clothing Co. Van 14 februari 1997.
Deze overeenkomsten tonen volgens belanghebbende aan dat contracten als de TMTAA, met een onbepaalde looptijd en een opzegtermijn van (minder dan) drie maanden tussen onafhankelijke derden regelmatig voorkomen. Voorts stelt belanghebbende dat, zo er grond zou zijn voor een arm’s-lengthcorrectie van de looptijd en/of opzegtermijn van de TMTAA, op basis van de voorbeelden zou moeten worden uitgegaan van een initiële vaste looptijd van één jaar en vervolgens een opzegtermijn van maximaal 12 maanden. Voorbeelden van een
7.3.15.2. Voor het aantal personeelsleden van [F] en de aard van hun werkzaamheden verwijst belanghebbende naar het in rechtsoverweging 3.2.14 van uitspraak 3 vermelde document Headcount Movements Strawman. Belanghebbende noemt in dit verband het [team 1] van [F] dat uit gemiddeld 25 medewerkers bestond en de medewerkers van het [Z2] Corporate Office (ACO). De medewerkers van het [team 1] , allen met een financiële, juridische of administratieve achtergrond, vielen in salarisschalen voor ‘Non management grades’ en ‘Management roles’, niet zijnde ‘Senior management roles’, in welk verband belanghebbende verwijst naar het tot de stukken behorende ‘Reward Green Book’. Geen van de leden van het toenmalige [team 1] is na 2016 in dienst getreden bij [G] (onder verwijzing naar uitspraak 3, r.o. 3.2.15).
Volgens belanghebbende speelde [F] geen rol in de research en ontwikkeling van nieuwe producten of het ontwikkelen en beheren van merken, alsmede de strategische marketing van de groep. Personeel van [F] was niet betrokken bij de fysieke goederenstroom van [D] naar de distributiemaatschappijen. Bovendien was het niet zo dat (personeel van) [F] het strategische of commerciële beleid van de distributiemaatschappijen formuleerde.
7.3.17. De winst die ondanks de beperkte taken van het personeel van [F] bij [F] neersloeg, was volgens belanghebbende gebaseerd op de licentieovereenkomsten. Daardoor viel – wat belanghebbende noemt – de surpluswinst in [F] . Uit het rapport ‘ [A] Netherlands Supply Chain Pricing’ en de notitie ‘Case for Change’ volgt volgens belanghebbende niet – en anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – dat [F] over personeel beschikte dat in de waardeketen van het concern ‘operationele, commerciële en strategische’ functies vervulde.
7.3.28. Belanghebbende wijst de door de inspecteur gestelde ‘brutering’ van het exit-resultaat af, omdat [G] in [land 1] , zoals zij ook in eerste aanleg heeft betoogd, niet in aanmerking kan komen voor fiscale afschrijving op de door haar verworven goodwill. Bovendien heeft de inspecteur volgens belanghebbende het bestaan van een (potentiële) onafhankelijke koper die wel over een afschrijvingsmogelijkheid zou hebben beschikt en die bereid zou zijn geweest dat voordeel in de verkoopprijs tot uiting te laten komen, niet aannemelijk gemaakt. Ook bij een redelijke schatting heeft de inspecteur op dit punt volgens belanghebbende niet voldaan aan zijn bewijslast.
(a) de licentierechten worden aangeduid als eeuwigdurend en exclusief. [F] heeft in wezen de volledige (economische) eigendom van de merken, en
(b) de licentierechten zijn overdraagbaar en de opzegging in 2015 wordt genegeerd. In dat geval zou een waarde kunnen worden bepaald op basis van verwachte geldstromen, waarbij rekening wordt gehouden met de onzekerheid die voortvloeit uit de drie maanden opzegtermijn.
Subsidiair standpunt: corresponderende correctie bij aanvang van de licenties7.3.30.1. Indien het Hof de rechtbank zou volgen in haar oordeel dat ten gunste van [F] een (omvangrijke) vergoeding in aanmerking moet worden genomen, dan stelt belanghebbende zich – subsidiair – op het standpunt dat een dergelijke vergoeding dan ook bij aanvang van de gerechtigdheid van [F] tot de licenties in aanmerking had meten worden genomen. Door uit te gaan van een in 2010 te activeren bedrag van € 2.000.000.000, en uitgaande van de methode die de rechtbank ter bepaling van de in 2016 in aanmerking te nemen vergoeding heeft gevolgd, heeft belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2015 een jaarlijkse (additionele) afschrijvingslast van € 200.000.000 berekend. De in 2016 resterende boekwaarde van € 800 miljoen zou dan in dat jaar in mindering moeten worden gebracht op de door de rechtbank vastgestelde vergoeding van € 1.698.000.000.
De inspecteur benadrukt dat door [F] derhalve meer functies werden uitgeoefend dan de activiteiten die door ACO werden uitgeoefend, in welk verband hij onder meer verwijst naar onderdeel 3.3 van het controlerapport van 7 februari 2020.
7.4.21. Anders dan de rechtbank die van een disconteringsvoet van 7% is uitgegaan, dient volgens de inspecteur te worden uitgegaan van een disconteringsvoet van 6,5%. Ter onderbouwing verwijst de inspecteur naar de Base Case waarin door belanghebbende eveneens een disconteringsvoet van 6,5% is gehanteerd. Bovendien is die disconteringsvoet door belanghebbende gehanteerd bij de waardering van de Deense en [land 22] ondernemingen die in 2016 in concernverband zijn overgedragen. Volgens de inspecteur dient belanghebbende overtuigend aan te tonen dat een disconteringsvoet van 6,5% te laag zou zijn.
7.4.26. De inspecteur maakt een vergelijking met de overdracht binnen het concern van – wat betreft hun activiteiten met [F] vergelijkbare – [land 23] en [land 22] deelnemingen en betoogt dat bij de overdracht van die deelnemingen is uitgegaan van ‘Discount Rate Eindwaardes’ variërend van 3,626% tot 4,810%.
De inspecteur acht dit uitgangspunt niet juist; het wijkt af van de eigen waarderingen van [A] en gaat voorbij aan “de context”. Volgens de inspecteur hadden [F] en haar voorgangers de onderneming plus licenties al tientallen jaren. De aanname van FTI dat de jaarlijkse kans op beëindiging van de licenties 20% bedraagt is volgens de inspecteur niet onderbouwd. Bovendien stemt deze aanname volgens de inspecteur niet overeen met andere waarderingen van licentierechten en/of deelnemingen binnen het concern. Daarbij werd geen rekening gehouden met een opzegkans in verband met korte opzegtermijnen, omdat zulke opzegtermijnen niet in lijn waren met de bedoelingen van partijen (actual conduct), in welk verband de inspecteur verwijst naar een brief van belanghebbende aan de inspecteur van 25 april 2006.
Het Hof beschouwt – met andere woorden – de combinatie van een licentieovereenkomst voor onbepaalde tijd die op elk willekeurig moment zou kunnen worden beëindigd zonder dat de licensee in aanmerking komt voor een vergoeding, bij een praktijk die ziet op langdurig voortgezet gebruik, tot uiting komend in een duurzame waardering op basis van eeuwigdurende kasstroom, fiscaalrechtelijk als onzakelijk, ongeacht de cicielrechtelijke duiding van een dergelijke overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst is onzakelijk in 2008 en ook in 2010; en het Hof heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt zien worden, op grond waarvan een dergelijke overeenkomst in 2015 of 2016 wel (fiscaalrechtelijk) als zakelijk zou zijn aan te merken.
Hieraan voegt het Hof toe dat het in hetgeen ter zitting van de rechtbank van 6 juli 2023 is besproken niet leest dat, zoals belanghebbende in haar pleitnota voor de zittingen van 5, 6 en 7 november 2024 heeft gesteld, de inspecteur “de stelling dat het [team 2] relevant is voor de beoordeling van de [F] -exit, of een eventueel compensatiebedrag, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig [heeft] prijsgegeven”. Belanghebbende heeft in dit verband verwezen naar de passage die begint met “de voorzitter vraagt” en die eindigt met “stemmen daarmee in”, als vermeld onder 7.1.7. Deze passage kan echter niet worden losgezien van hetgeen daaraan ter zitting van de rechtbank voorafging, zoals (eveneens) vermeld onder 7.1.7. Uit de inleidende vraag van ‘de jongste rechter’ blijkt dat hetgeen met partijen werd besproken betrekking had op de vraag in welk jaar de eventuele winst over de [F] -exit moest worden genomen. Dit tegen de achtergrond van de geleidelijke afbouw van het [team 2] (zie onder 7.1.10). Voor de rechtbank was het van belang om met partijen over die timingkwestie duidelijkheid te verkrijgen. Omdat de beantwoording kennelijk niet duidelijk genoeg was heeft de voorzitter opnieuw gevraagd of de ‘ [F] -exit in 2016 thuis hoort’. Nog steeds gaat het dan om de timing van het (eventuele) winstnemen. Als dan de voorzitter uiteindelijk concludeert dat het [team 2] ‘geen rol speelt bij de [F] -exit’, kan dat, gegeven de hiervoor vermelde context, niet anders worden begrepen dan dat het voor het bepalen van het tijdstip van (eventuele) winstneming niet van belang is dat het [team 2] – voorafgaand aan de beëindiging van de licentieovereenkomsten – geleidelijk is afgebouwd. Daaruit kan, anders dan belanghebbende heeft gesteld, niet worden afgeleid dat de inspecteur zou hebben prijsgegeven dat het [team 2] , bij de beoordeling van de vraag of er in 2016 in het kader van de [F] -exit iets van waarde aan het vermogen van belanghebbende is onttrokken, een rol kan spelen, dan wel dat het Hof het [team 2] en wat daarover onder 7.1.10 is vermeld, niet mede in zijn beoordeling van de [F] -exit zou kunnen betrekken. Daarbij merkt het Hof op dat er mogelijk ook nog andere, niet door [F] verrichte investeringen zijn geweest die aan het onderhoud van de door [F] geëxploiteerde merken hebben bijgedragen, maar dat neemt de bijdrage die [F] door de exploitatie van die merken aan het onderhoud daarvan heeft geleverd niet weg. Voor zover belanghebbende met hetgeen de gemachtigde ter zitting van 5 november 2024 heeft betoogd heeft bedoeld dat een eventuele heffing bij haar over de licentierechten niet in het jaar 2016 kan plaatsvinden, maar in een of meer eerdere jaren zou hebben moeten plaatsvinden, gaat het Hof daaraan voorbij, omdat die stelling – anders dan de gemachtigde heeft verondersteld – zich naar maatstaf van behoorlijke procesorde niet goed verhoudt met de hiervoor weergegeven gang van zaken ter zitting van de rechtbank en omdat er naar het oordeel van het Hof onvoldoende reden is om een heffing over de medio 2016 effectief beëindigde licentierechten (alsnog) in een eerder jaar te plaatsen, ook indien bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre er bij die beëindiging ‘something of value’ aan het vermogen van belanghebbende is onttrokken betekenis wordt toegekend aan het feit dat er een [team 2] (het [team 2] ) en of een [team 1] voor [F] werkzaam is geweest.
(a), zoals volgt uit hetgeen is vermeld onder 7.1.5.2 tot en met 7.1.5.4, betrekking hebben op ‘core trade marks’;
(b) zoals volgt uit hetgeen is vermeld onder 7.1.5.1 (par. 2.1 TMTAA) en 7.1.5.4 (par. 2.3 van de ‘pre-existing license agreements’), formeel dan wel in feite non-exclusieve licentierechten behelzen, met
(c) een onbepaalde duur, die
(d) op elk moment, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, konden worden beëindigd.
Dat de overgang in 2010 van de rechten die [F] vóór 1 januari 2010 bezat geen (wezenlijke) verandering teweeg heeft gebracht blijkt ook uit de ongewijzigde waardering van de aandelen in [F] door [Q] van 2008 tot en met 2014 op € 1 miljard (zie onder 7.5.8). Het verloop van het commerciële resultaat van [F] in de periode 2008 – 2014 wijst evenmin op een significante wijziging als gevolg van het opgaan van in 2008 afgesplitste licenties in de TMTAA. Derhalve acht het Hof het niet aannemelijk dat de wijziging in de contractuele verhoudingen die het gevolg is van de TMTAA op zichzelf en anders dan overige factoren die op de waarde van de licentierechten van invloed zijn (zoals de (profijtelijke) wijze waarop die rechten worden geëxploiteerd), een wijziging heeft gebracht in de waarde van de licenties op de ‘core trade marks’.
In dit verband en hierna gaat het Hof voorts ervan uit dat, zoals de gemachtigde en de inspecteur ter zitting van 5 november 2024 hebben verklaard, er naast de licenties die in 2010 in de TMTAA zijn opgenomen nog andere licenties waren en dat, zoals de gemachtigde – niet weersproken door de inspecteur – heeft verklaard, de waarde van die andere licenties een fractie is geweest van de waarde van de licenties die in de TMTAA zijn vervat.
E.2.4 Contractual rights
For instance, assume that company A has valuable long-term contracts with independent customers that carry significant profit potential for A. Assume that at a certain point in time, A voluntarily terminates its contracts with its customers under circumstances where the latter are legally or commercially obligated to enter into similar arrangements with company B, a foreign entity that belongs to the same MNE group as A. As a consequence, the contractual rights and attached profit potential that used to lie with A now lie with B. If the factual situation is that B could only enter into the contracts with the customers subject to A’s surrendering its own contractual rights to its benefit, and that A only terminated its contracts with its customers knowing that the latter were legally or commercially obligated to conclude similar arrangements with B, this in substance would consist in a tri-partite transaction and it may amount to a transfer of valuable contractual rights from A to B that may have to be remunerated at arm’s length, depending on the value of the rights surrendered by A from the perspectives of both A and B.”
ofer (on)zakelijk is gehandeld, maar op de daarvan te onderscheiden vraag of de licentierechten die door [F] werden geëxploiteerd aan [F] zijn overgedragen.
overdrachtvan de rechten uit hoofde van die overeenkomsten door [F] aan [G] zozeer nabij komt, dat deze daaraan, voor de toepassing van het belastingrecht, en in lijn met hetgeen wordt betoogd in par. 9.67 Guidelines 2017, kan worden gelijk gesteld:
- de beëindiging van de licentieovereenkomsten is geschied op instigatie van de concernleiding, overeenkomstig daartoe vanaf 2013 vastgestelde plannen, aangevangen met het Project Mega en verder daaraan uitvoering gevend in het kader van het Project Tomorrow;
- in het kader van deze operatie zijn door de groep zelf aanduidingen gebruikt die wijzen op een (beoogde) overdracht van activiteiten van [F] aan [G] . Het Hof verwijst op dit punt naar hetgeen is vermeld onder 7.5.11.6;
- het overeenkomstig deze planning, en naadloos aansluitend op de beëindiging van de licentieovereenkomsten met [F] , door [G] aangaan van licentieovereenkomsten die op dezelfde core trade marks betrekking hebben als de trade marks die voorwerp waren de beëindigde licentieovereenkomsten;
- een en ander zoals ook verbeeld in dia 12 en dia 13 van een presentatie van belanghebbende op 14 juli 2015 in het kader van het Project Tomorrow;
- de omstandigheid dat de exploitatie van dezelfde licentierechten binnen het [A] -concern niet én door [F] én door [G] kon geschieden;
- in de zogeheten ‘Base Case’ is uitdrukkelijk aandacht besteed aan de (zeer) profijtelijke exploitatie van de ‘core trade marks’ (die vóór juni 2016 door [F] werden geëxploiteerd) in de periode 2016 - 2022, indien deze dan door [G] worden geëxploiteerd;
- motieven die duiden op redenen voor de beëindiging van de licentieovereenkomsten die zouden zijn gelegen in de commerciële relatie tussen de licensors (TMO’s) en [F] zijn niet gesteld of aannemelijk geworden;
- zowel [F] , [G] als de licensors (TMO’s) behoren tot het [A] -concern;
- de licentierechten zijn weliswaar (tot en met 2014) commercieel gewaardeerd (direct op grond van artikel 2:334f BW bij [F] en indirect op grond van het jaarrekeningenrecht bij [Q] ) op € 1 miljard, maar fiscaal bedroeg de boekwaarde van die rechten niet meer dan € 1, zodat in die rechten, beoordeeld naar maatstaf van de waarde in het economische verkeer, en afhankelijk verder van de fiscale kwalificatie van de aan die rechten gegeven juridische vorm, een (omvangrijke) stille reserve was begrepen;
- de door [G] aangegane licentieovereenkomsten zijn, zoals [naam 17] ter zitting van 5 november 2024 heeft verklaard, aangegaan onder dezelfde contractuele voorwaarden als die van de beëindigde licentieovereenkomsten;
- de vanaf juni 2016 aangevangen exploitatie van de ‘core trade marks’ door [G] heeft, naar [naam 17] ter zitting van 5 november 2024 heeft verklaard, voortgeduurd tot ten minste 5 november 2024. Dit komt overeen met de wijze waarop deze gang van zaken intern is gecommuniceerd, welke interne communicatie licht werpt op de eigenlijke bedoeling van de herstructurering. De ‘Base Case’ laat bovendien zien van hoeveel waarde de over te dragen activa voor het resultaat van [G] geacht werden te zijn.
In dit opzicht vult hetgeen hiervoor vanaf 7.5.18.1 is overwogen, hetgeen is overwogen in 7.15.1 tot en met 7.5.17.21 aan.
(a) het uitgaan van het wettelijke belastingtarief in plaats van een effectieve belastingdruk van 33,8%, met als gevolg een € 6,4 miljoen hogere kasstroom, en
(b) het bij het elimineren van het saldo van bruto baten en lasten uitgaan van netto (in plaats van bruto) financiële baten, met als gevolg een 0,9% hogere kasstroom.
Deze aanpassingen brengen de kasstroom voor 2015 op € 85,3 miljoen. In de gedachtewisseling tussen FTI en de inspecteur die is gevolgd op de eerste reactie van de inspecteur op het FTI-rapport (respectievelijk het rapport van 4 oktober 2024 en het nader stuk van de inspecteur van 22 oktober 2024), ziet het Hof geen grond voor een verdere aanpassing van de op € 85,3 miljoen berekende kasstroom voor 2015. Weliswaar heeft de inspecteur met hetgeen hij in zijn nader stuk van 2 december 2024 naar voren heeft gebracht het standpunt van FTI/belanghebbende dat de kasstroom 2015 met € 1 miljoen zou moeten worden verlaagd, gemotiveerd weersproken, maar dat dit zou hebben te leiden tot een verdere verhoging van de kasstroom met € 3 miljoen acht het Hof niet aannemelijk. Dit in het bijzonder, omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanpassingen waar hij het in zijn nader stuk over heeft niet reeds zijn begrepen in de hiervoor vermelde punten (a) en (b). Zo geldt in ieder geval voor het in zijn stuk van 2 december 2024 vermelde elimineren van de betaalde belasting over rente-inkomsten, dat daarmee (onder ad (b)) ook al rekening is gehouden in de eerdere reactie van de inspecteur. Voor aanpassingen op grond van TAB en of brutering ziet het Hof geen reden (a fortiori) op de gronden die hierna, in het kader van de ‘redelijke schatting’, zijn vermeld onder 7.5.22.4 en 7.5.22.5.
7.5.19.8. Het Hof volgt de inspecteur niet in het mee in aanmerking nemen van het resultaat van € 71,4 miljoen dat volgens hem betrekking heeft op profit split [D] , cost-plus [D] en I&T royalty’s. Het Hof heeft de desbetreffende bijtellingen vastgesteld met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Op die grond kunnen die bijtellingen bij het, naar maatstaf van aannemelijkheid maken, bepalen van de kasstroom niet in aanmerking worden genomen, omdat de inspecteur niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat deze bijtellingen ook bij het bepalen van de kasstroom moeten worden meegenomen. Een en ander, nog daargelaten dat het netto effect van die bijtellingen volgens FTI € 53,6 miljoen zou bedragen.
Op basis daarvan acht het Hof het niet aannemelijk om voor de waardering van de tot 1 juni 2016 door [F] geëxploiteerde merken van een daaraan toe te rekenen opwaartse groeiverwachting uit te gaan. Het Hof noemt in dit verband de door FTI in beeld gebrachte neerwaartse historische trend (Appendix 5 bij het FTI rapport), de invloed van de EU Tobacco Tax Directive van 21 juni 2011 en de EU Tobacco Products Directive van 3 april 2014, en de volgens Euromonitor verwachte (additionele) accijnsverhogingen. Deze gegevens acht het Hof overigens, zoals hiervoor onder 7.5.19.6 is overwogen, onvoldoende om een negatieve trend van -6% in aanmerking te nemen.
Omkering van de bewijslast7.5.21.1. Naar niet in geschil is, is belanghebbende ook voor het jaar 2016 uitgenodigd tot het doen van aangifte.
7.5.21.4. De omstandigheid dat, naar belanghebbende heeft gesteld, de inspecteur ten tijde van het doen van aangifte op de hoogte was van de [F] -exit omdat belanghebbende voorafgaand aan het doen van aangifte daarover overleg met de inspecteur heeft gehad, leidt naar het oordeel van het Hof niet ertoe dat op die grond niet aan de voorwaarden voor de omkering van de bewijslast zou zijn voldaan. De voor de toepassing van artikel 27e, eerste lid, AWR vereiste bewustheid heeft betrekking op de vraag of het standpunt dat in de aangifte is ingenomen in overeenstemming is met de norm die bij het doen van aangifte in acht moet worden genomen. Daarvan uitgaande, moet belanghebbende zich bij het doen van aangifte, gezien hetgeen hiervoor over het materiële recht is overwogen, ervan bewust zijn geweest dat zij door ter zake van de [F] -exit in het geheel geen resultaat te verantwoorden niet de vereiste aangifte deed (vgl. Hof Amsterdam 11 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS: 2024:1928, r.o. 5.7.14). Deze beoordeling staat los van de vraag of het aangiftegedrag een niet heffen van de materieel verschuldigde belasting tot gevolg heeft gehad of zou kunnen hebben gehad. Een en ander, nog ervan afgezien dat het boekenonderzoek dat op de [F] -exit was gericht, eerst na het doen van aangifte is ingesteld.
Het Hof laat de door de inspecteur gestelde TAB annex brutering buiten beschouwing, omdat het deze belastingeffecten en de daaraan ten grondslag liggende veronderstellingen in dit geval niet voldoende geconcretiseerd acht. Door de redelijke schatting mede op deze effecten te baseren, zou deze naar het oordeel van het Hof disproportioneel uitwerken. Het Hof kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat is opgenomen in rechtsoverweging 3.2.30 van uitspraak 3, waarin de rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen gronden aannemelijk zijn geworden op basis waarvan een TAB in aanmerking is te nemen.
7.5.22.5. De veronderstelling dat een verkrijger/koper – al dan niet [G] – voor de aan [F] onttrokken licentierechten een compensatie zou bieden voor de belastingheffing over die licentierechten is naar het oordeel van het Hof evenmin voldoende aannemelijk gemaakt. Hieraan, zowel als aan de hiervoor beoordeelde TAB, staat naar het oordeel van het Hof de omstandigheid in de weg, dat de in rechtsoverweging 7.5.18.1 tot en met 7.5.18.7 behandelde, met een overdracht van de licentierechten van [F] aan [G] gelijk te stellen gang van zaken, (in civielrechtelijke zin) niet op een contractuele overdracht van [F] aan [G] is gebaseerd, terwijl een dergelijke rechtsverhouding bij het rekening houden met een TAB en brutering wel wordt verondersteld aanwezig te zijn. Onder deze omstandigheid gaat het het Hof te ver om de door de inspecteur gestelde TAB en brutering in de redelijke schatting van de waarde van de onttrekking te laten doorwerken, nog daargelaten of een dergelijke doorwerking op grond van de Guidelines 2017 geoorloofd zou zijn.
7.5.22.7. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet ervan doen blijken dat een ter zake van de [F] -exit in aanmerking te nemen bijtelling van € 1.312.307.692 te hoog is. In het bijzonder heeft belanghebbende niet ervan doen blijken dat met een 6% neerwaartse winstverwachtingen rekening moet worden gehouden. Daarvoor acht het Hof het op dit punt aangedragen bewijsmateriaal, zoals is overwogen onder 7.5.19.6, van onvoldoende gewicht; in het bijzonder niet, omdat geen inzicht is verstrekt in de prognoses en realisaties van [G] vanaf 2016, terwijl naast de negatieve invloed van met name tabaksgebruik beperkende regelgeving, de mogelijkheid aanwezig is, zoals gemotiveerd is gesteld door de inspecteur en is vermeld in het FTI-rapport, om dit effect door middel van hogere productprijzen te compenseren. Voorts acht het Hof de door belanghebbende gestelde ‘Distribution Margin TP Adjustment’ naar maatstaf van ‘doen blijken’ niet aannemelijk geworden, laat staan dat belanghebbende ervan heeft doen blijken.
Het standpunt houdt in dat een in het verleden gemaakte fout, door toepassing van de foutenleer in 2010 wordt hersteld, door in dat jaar alsnog een actiefpost op te nemen.
Dat dat verschil groter is – anders dan belanghebbende in haar pleitnota voor de zittingen van 5, 6 en 7 november 2024 heeft betoogd – dan nihil is niet aannemelijk geworden. Door in die pleitnota (pag. 10) uit te gaan van een waarde van de oude licenties van € 1.690 miljoen, gaat belanghebbende eraan voorbij dat de oude (vóór 2010 geldende) licenties op een boekwaarde van nihil waren gewaardeerd. Zodat er in de opstelling in die pleitnota in 2010 € 1.700 miljoen te belasten zou zijn. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze te kennen gegeven bereid te zijn om dat bedrag, bij toepassing van de foutenleer, alsnog in de heffing te doen betrekken. Ook op deze gronden faalt de subsidiaire stelling van belanghebbende. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel is het ook niet objectief pleitbaar om (alsnog) een dergelijk standpunt in te nemen (in het kader van de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan), aangezien het standpunt van belanghebbende is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting.
8.[D]
93.000.000 6.500.000
- The Products shall be sold at the Transfer Prices as stipulated in the Transfer Price Database maintained by the Supplier and available to the Buyer.
- The Transfer Price for each SKU will be calculated on an annual basis, prior to the beginning of each Financial Year, and will be based on the budgeted costs as per the Buyers company plan figures and in accordance with the principles set out Schedule 4.
- The parties agree that the relevant Transfer Price for each SKU will be reviewed from time to time and at a minimum will be reviewed prior to, or at the end of each Financial Year, in respect of the preceding calendar months of that Financial Year. In the event that such review determines that Supplier has over-recovered or underrecovered the Actual Costs for that SKU (as defined in Schedule 4), or the total system profit earned the Supplier and its contract manufacturers is not consistent with the arms-length principle (estimated to be 5% of the Actual Costs), then the Supplier will issue an invoice crediting or debiting the Buyer with an amount equal to such overrecovery or under-recovery.”
Leaf Management and Supply Agreement(hierna: LMSA) van 19 december 2007 is onder meer het volgende bepaald:
Hof: profit split] method is highly complex and subjective. It also involves determining the group profit on a transaction, which is very difficult and usually involves numerous allocations of cost etc. For these reasons, it is usually only adopted where the transactions concerned are complex and inter-dependent. These usually involve the use of unique intangible property. This is not the case with the transactions involving [D] . Accordingly, the profit split method is not appropriate.
Hof: Full Cost Mark Up] of 2.7% in 2011.
voetnoot 11: [munteenheid 1] 13 miljoen volgens bijlage 18 bij de brief van 23 juli 2014.]
- Procurement van directe materialen
- Management van de procurement van indirecte uitgaven
- Supply Chain planning
- Logistiek en netwerk optimalisatie
- Management van investeringen
- Capaciteits review en optimalisatie
- Contingency sourcing
- Input voor productspecificaties
- Identificeren, ontwikkelen en goedkeuren van kostenbesparingsinitiatieven
voetnoot 12: Overeenkomstig de Global Services Masterfile]. Central Ops oefent met name strategische hoofdkantooractiviteiten uit. Hierbij gaat het onder andere ook om Operations (o.a. "capacity planning, improvement of supply chain management, improved cost management and consistency in product quality") en Global product (waaronder kwaliteitsstandaarden en voldoen aan regelgeving). Andere functies die zijn begrepen in de vergoeding die aan het hoofdkantoor worden betaald zijn onder andere: capacity planning, additional plant, supply chain excellence, global procurement, direct materials, indirect materials, de Make department (manufacturing standards, technology strategy, CAPEX plans, factory's footprint) en supplier development.
Hof: Residual Profit Split Method]
Vragen van de oudste rechter:
oudste raadsheergaat verder met het onderwerp [S] en welke risico’s de [S] liep. De oudste raadsheer wil kijken naar bladzijde 22 en 23 van het rapport dat is bijgevoegd als productie 9 van het beroepschrift in eerste aanleg van 6 juli 2018 voor de jaren 2011 tot en met 2013. Daaruit blijkt dat in de jaren voorafgaand aan 2016 zo’n 60% van de vaste prijzen die met de fabrieken voor het volgende jaar werden afgesproken, al vast stond. Het door [S] gelopen prijsrisico lag feitelijk dus op een percentage van 35-40%.
[projectnaam](hierna: [projectnaam] ) van het [A] -concern. In een brief van PwC aan de inspecteur van 8 april 2011 zijn de tijdens het [projectnaam] -vooroverleg uitgewisselde standpunten samengevat. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:
Hof: Underlying Operating Profit] and the upper interquartile of the benchmark search performed tor FMCG [
Hof: fast moving consumer goods] manufacturers (MoTC [
Hof: Mark Up on Total Cost] 6.7%).
principle agreement has been reached
Toll manufacturing Agreement(hierna: TMA) is onder meer het volgende bepaald (in deze overeenkomst is [E] aangeduid als ‘Toll Manufacturer’ en [D] als ‘Principal’):
Hof: Return on Assets]) or 10% of the Budgeted Costs (such as being the “Mark-up”).
Beoordeling [D] – [F] profit split
Beoordeling [D] – [F] profit split
Een zakelijke prijs is een zakelijke prijs, ook als deze is bepaald met behulp van een verkeerde methode.
fast moving consumer goods. Die kwalificatie is naar het oordeel van de rechtbank niet te verenigen met het feit dat [D] geen productierechten heeft. Belanghebbende heeft daarom de bruikbaarheid van de benchmarkstudies in de ogen van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank heeft vervolgens de correcties van de inspecteur ongewijzigd overgenomen.
De winstmarges die zij realiseerde, vielen steeds binnen de zakelijke bandbreedte die uit elk van die studies voortvloeit;
fast moving consumer goods. Zoals belanghebbende reeds in eerste aanleg heeft uiteengezet, is [D] wat betreft winstgevendheid daarentegen niet vergelijkbaar met ondernemingen die een significant deel van hun resultaat ontlenen aan eigen waardevolle merkenrechten. Belanghebbende stelt dat dergelijke ondernemingen dan ook niet in de door haar overgelegde benchmarkonderzoeken zijn opgenomen.
Supplier Pricing Policyin Schedule 2 is vastgelegd hoe de prijs voor de producten (in de FGSA aangeduid met de term
"Charges”)wordt bepaald. De inspecteur veronderstelt dat [D] geen risico liep omdat zij op grond van de FGSA altijd haar kosten vergoed kreeg met een winstopslag. Die veronderstelling is niet juist: er is weliswaar sprake van een winstopslag over de gebudgetteerde
Base Price, maar dat is niet meer dan een element bij het vaststellen van de verkoopprijs die [D] het volgende jaar voor een bepaald product
(Stock Keeping Unitof SKU) berekende. Uit paragraaf 4 van Schedule 2 blijkt dat deze
Final Supplier Pricevoorafgaand aan het jaar werd bepaald op basis van de gebudgetteerde kostprijzen, verkoopvolumes en resultaten. De op die basis vastgestelde prijzen voor de producten werden niet aangepast als de volumes of de werkelijke kostprijzen hoger of lager uitvallen. Het risico dat [D] op basis van de FGSA liep, was dus niet beperkt tot risico's die verband houden met omzetfluctuaties, maar omvatte ook het risico dat inkoopprijzen en/of productiekosten hoger bleken te zijn dan begroot. Er was dus geen sprake van een contractueel overeengekomen cost-plus beloning over de werkelijke kosten, zoals de inspecteur veronderstelt, maar van een winstmarge op een gebudgetteerde kostprijs als onderdeel van de verkoopprijs die [D] jaarlijks vooraf voor elke SKU met haar afnemer overeenkwam. [D] liep derhalve aanzienlijke financiële risico’s, zowel feitelijk als contractueel op grond van de FGSA, aldus belanghebbende.
control over riskfuncties vervulde. Belanghebbende heeft voor een nadere onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de in de TP-rapporten opgenomen beschrijving van de functies die [D] vervulde. Daaruit blijkt volgens belanghebbende dat [D] een grote organisatie was (met honderden eigen personeelsleden) die geheel was gericht op de planning en logistiek en productieprocessen en dat haar hoofdtaak was het beheersen van de risico's van die processen. Belanghebbende heeft op dit punt specifiek verwezen naar drie TP-rapporten, waarin de rol van [D] zowel vóór als na 1 januari 2012 alsmede de met ingang van 2012 gekozen transferpricingmethode worden toegelicht. Het betreft de volgende rapporten:
De correcties van de inspecteur berusten daarom naar de mening van belanghebbende op een onjuist feitelijk uitgangspunt en kunnen alleen al op die grond, zelfs bij omkering en verzwaring van de bewijslast, niet in stand blijven. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt tevens verwezen naar hetgeen zij hierover in het kader van het geschil over de [F] -exit naar voren heeft gebracht, zoals weergegeven in hoofdstuk 7 (zie 7.3.15.1-7.3.17) en naar haar beschouwingen hierover in eerste aanleg, onder meer in haar nader stuk in eerste aanleg van 30 september 2020.
Full Cost Mark Up(hierna: FCMU) van die ondernemingen bepaald en onderzocht of de resultaten van [D] overeenkwamen met de resultaten van die vergelijkbare ondernemingen. De zakelijke prijs werd gedefinieerd door de range die lag tussen de grootste en de kleinste waarde die in de uitgevoerde benchmarkonderzoeken werd gevonden.
fast moving consumer goods. De rechtbank heeft de inspecteur hierin gevolgd en heeft geoordeeld dat de TP-rapporten en de benchmarkstudies geen gewicht in de schaal leggen omdat deze benchmarkstudies het uitgangspunt hanteren dat [D] vergeleken kan worden met een producent.
fast moving consumer goods, (ii) de vergelijkbaarheid van de in de benchmarkstudies gebruikte ondernemingen in brede zin en (iii) het in rechte te honoreren vertrouwen dat de inspecteur op dat punt volgens belanghebbende heeft gewekt.
fast moving consumer goods)was. PwC heeft dan ook gezocht naar onafhankelijke ondernemingen met eenzelfde functioneel profiel, dat wil zeggen ondernemingen die evenals [D] grondstoffen en halffabricaten inkopen en verantwoordelijk zijn voor het gehele logistieke en productieproces. Naar de mening van belanghebbende doet het er daarbij niet toe dat [D] de feitelijke productie heeft uitbesteed aan gelieerde fabrieken die voor haar rekening en risico werken. Wel zou mogelijk verdedigd kunnen worden dat de vergelijking zuiverder zou zijn als daarin ook de toll margin die toekomt aan de fabrieken zou worden betrokken. Die vergelijking is volgens belanghebbende aan de hand van de gegevens in de TP-rapporten eenvoudig te maken: de FCMU van [D] en de fabrieken tezamen komt volgens belanghebbende uit op 9,9% voor 2012 en 12% voor 2013, hetgeen nog altijd binnen de zakelijke bandbreedte is.
- i) In reactie op de opmerking van de inspecteur dat in de door belanghebbende overgelegde benchmark ondernemingen zijn opgenomen die een merk bezitten: waar het om gaat, is dat de ondernemingen in de benchmark hun resultaat grotendeels ontlenen aan de inkoop van grondstoffen, logistiek en productie. Daarom zijn deze ondernemingen vergelijkbaar met [D] .
- ii) Daarnaast heeft de inspecteur kritiek geuit op het gebruik van ondernemingen die farmaceutische
- iii) producten en toiletartikelen produceren. Voor deze ondernemingen geldt hetzelfde: zij ontlenen hun winstgevendheid aan een goede inkoop, logistiek en productie en worden daarom vergelijkbaar geacht met [D] .
- iv) De inspecteur miskent met zijn kritiek dat de resultaten van [D] niet met de volledige range kunnen worden vergeleken (maar met de interkwartiele range) dat het uitgangspunt bij elke verrekenprijsanalyse is dat elk punt binnen de range vergelijkbaar is, zolang de resultaten in die range betrouwbaar worden geacht. Wel kan (zoals onder meer in par. 3.62 van de Guidelines 2017 wordt aangegeven) de range onder omstandigheden worden verkleind of de interkwartiele range worden gebruikt om de vergelijkbaarheid te verhogen, maar dit moet dan wel zeer zorgvuldig worden gedaan. In het onderhavige geval is belanghebbende van mening dat de resultaten van [D] met de volledige range kunnen worden vergeleken en in alle jaren binnen deze range lagen.
- v) De inspecteur erkent dat [D] een hoog werkkapitaal aanhield, maar stelt vervolgens dat [D] daarover geen risico zou lopen. Het is niet duidelijk waarop hij deze stelling baseert. [D] opereerde geheel voor eigen rekening, zowel bij de inkoop van grondstoffen en halffabricaten, als bij de verkoop van gereed product aan [F] en andere eindmarkten. Zij liep daardoor ten volle de risico’s die gepaard gaan met de eigendom van voorraden, grondstoffen en gereed product.
- vi) De inspecteur vermeldt dat de benchmark ondernemingen met 20% of minder vaste activa uitsluit en dat [D] geen vaste activa heeft. Daarmee gaat de inspecteur voorbij aan de samengestelde functie van [D] en de fabrieken, waarbij de fabrieken (veel) vaste activa bezitten.
fast moving consumer goods.
fast moving consumer goods– juist is. Tegelijkertijd heeft de inspecteur zich op de resultaten beroepen van het [projectnaam] -vooroverleg in 2010 en 2011, dat op diezelfde methode was gebaseerd. Dat de inspecteur in de onderhavige procedure stelt dat de FCMU niet de juiste maatstaf is voor de beoordeling van de verrekenprijzen van [D] en dat in plaats daarvan de vergelijking moet worden gemaakt op basis van de
Value Added Cost Mark Up(hierna ook: VACMU) is naar de mening van belanghebbende niet alleen onjuist en inconsequent, maar bovendien in strijd met het vertrouwensbeginsel. Naar de mening van belanghebbende heeft de rechtbank in uitspraak 3 (r.o. 3.7.5) ten onrechte beslist dat haar beroep op het vertrouwensbeginsel faalt wegens gebrek aan onderbouwing. In hoger beroep heeft belanghebbende haar standpunt hierover herhaald en als volgt nader toegelicht.
fast moving consumer goods. In de gesprekken over [projectnaam] werd overigens de term
Mark up on Total Cost(hierna: MoTC) gebruikt, hetgeen een andere benaming is voor hetzelfde begrip.
Hof:
fast moving consumer goods] manufacturers.”
fast moving consumer goodsaccepteert als een juiste maatstaf. Naar de mening van belanghebbende heeft de inspecteur daarmee weloverwogen zijn standpunt hierover meegedeeld aan (de adviseurs van) belanghebbende en heeft hij dat standpunt herhaald bij de aanslagregeling voor de jaren 2014 tot en met 2016. Belanghebbende wijst bij wijze van voorbeeld op de onder 8.1.18 vermelde brief van 18 juni 2018 waarin de inspecteur de aanslag Vpb 2014 als volgt heeft aangekondigd: "In het vooroverleg inzake [projectnaam] zijn wij overeengekomen dat een full cost mark up van 6,7% zakelijk is. (. ..) Alhoewel zowel de grondslag als de opslag ten aanzien van [D] niet aanvaardbaar zijn, hanteren we de [projectnaam] mark-up als een zakelijke vergoeding voor [D] ." Hierbij moet naar de mening van belanghebbende worden meegewogen dat de inspecteur tijdens het [projectnaam] -vooroverleg wist dat [projectnaam] evenmin als [D] productierechten zou hebben verkregen, terwijl hij [projectnaam] desondanks goed vergelijkbaar achtte met producenten van
fast moving consumer goods.
fast moving consumer goodsen (ii) FCMU niet de juiste vergelijkingsmaatstaf is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende mede verwezen naar haar nader stuk in eerste aanleg van 30 september 2020, waarin zij nog het hierna volgende heeft aangevoerd over haar beroep op het vertrouwensbeginsel.
fast moving consumer goodsals toetsingscriterium voor de resultaten van een supply chain-organisatie. Precies datzelfde toetsingsmodel is door belanghebbende en PwC gehanteerd bij het beoordelen van de resultaten van [D] voor de jaren vanaf 2012. De verschillen in uitkomst van de [projectnaam] -benchmark en die van latere onderzoeken worden uitsluitend veroorzaakt doordat bij de latere onderzoeken gebruik kon worden gemaakt van de inmiddels beschikbaar gekomen data voor latere jaren.
transactional profit splitis volgens de Guidelines de aangewezen verrekenprijsmethode in geval van "highly integrated operations" en in situaties waarin twee partijen bij een transactie elk een "unique and valuable contribution" leveren aan het gezamenlijke resultaat. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij in haar stukken uitvoerig heeft onderbouwd dat hiervan sprake is en dat zij heeft toegelicht waarom de kwaliteit en efficiëntie van de supply chain en operations – het deel van de bedrijfsactiviteiten van het concern waarvoor [D] verantwoordelijk was – in belangrijke mate bepalend zijn voor het resultaat van een modern tabaksconcern.
toll manufacturing-vergoeding en dat de beslissing van de rechtbank alleen al om die reden niet in stand kan blijven. Belanghebbende heeft over dit geschilpunt voorts – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.
contract manufacturingnaar
toll manufacturing(per 1 april 2012) nagenoeg ongewijzigd is gebleven. Belanghebbende is van mening dat zij in haar processtukken in eerste aanleg uitvoerig is ingegaan op de verdeling van functies en risico's voor en na 1 april 2012. Belanghebbende heeft op dit punt verwezen naar de motivering van haar beroepschrift in eerste aanleg en haar opmerkingen bij het verweerschrift in eerste aanleg van de inspecteur in productie 1 bij haar tiendagenstuk van 30 september 2020. In die stukken heeft zij onder andere voorbeelden gegeven van afdelingen (demand planning, production scheduling, new products introduction) die geheel bij [E] zijn verdwenen. Zij heeft er verder op gewezen dat in directe samenhang met de overgang naar
toll manufacturinghet supply-chainpersoneel van [E] met ongeveer een kwart is ingekrompen en zij stelt te hebben onderbouwd dat [D] vanaf 1 april 2012 alle functies en risico's met betrekking tot inkoop van grondstoffen en materialen, voorraden, valuta en productkwaliteit heeft overgenomen van [E] .
Het [A] -concern heeft dit model in de afgelopen tien jaar geleidelijk ingevoerd voor al haar (overgebleven) productiemaatschappijen in [regio] en hanteert het in voorkomende gevallen ook in haar relaties met derden. Belanghebbende merkt op dat Nederland het enige land is waar die praktijk tot een geschil met de fiscus heeft geleid.
Base Conversion Feemogen verhogen met een inflatiecorrectie.
Base Conversion Fee(het tweede punt) is volgens belanghebbende eerder een nadeel voor [bedrijfsnaam 31] dan een voordeel. Als haar kosten stijgen met een percentage dat de inflatie te boven gaat, worden die hogere kosten door [D] niet vergoed. Overigens is de impact van deze bepaling hoe dan ook beperkt omdat de overeenkomst na de eerste drie jaar jaarlijks kan worden opgezegd. Naar de mening van belanghebbende is de rechtbank dan ook ten onrechte ervan uitgegaan dat de beide contracten niet vergelijkbaar zijn.
mark up on cost of goods soldtussen 3,1% en 24,6%; belanghebbende verwijst voor de onderbouwing van deze stelling naar het onder 8.1.10 vermelde TP-rapport [S] .
toll manufacturing agreementmet de [land 15] productiemaatschappij in [plaatsnaam 4] , net zoals zij later op grond van de TMA met [E] de sluitingskosten van een fabriek van [E] heeft gedragen. De licenties die [G] per 1 juni 2016 heeft verkregen bevatten geen bepalingen over het dragen van productiekosten of de sluiting van fabrieken, net zomin als dat het geval was met de TMTAA van [F] vóór 1 juni 2016.
De beslissing tot sluiting van de fabriek te [plaatsnaam 4] is genomen en formeel goedgekeurd vóór 1 juni 2016. De kosten die daaruit voortkwamen moeten daarom in hun geheel worden toegerekend aan de periode waarin [F] nog de licentiehouder was, zo stelt belanghebbende. Tijdens de zitting van 5 december 2024 heeft belanghebbende haar standpunt nader toegelicht, zoals weergegeven onder 8.1.15.
De vraag die hierbij volgens de inspecteur getoetst moet worden, is welke zakelijke vergoeding tussen onafhankelijke partijen tot stand zou komen, gelet op de door [D] uitgeoefende functies, de door haar aangewende activa en de daarbij gelopen risico's.
core businessvan het [A] -concern, zijnde de distributie, marketing en verkoop van tabaksproducten. Die kernactiviteiten werden voor rekening en risico van andere groepsvennootschappen dan [D] uitgevoerd, waaronder [F] . Zij liepen de risico's die samenhingen met de kernactiviteiten, zoals het marktrisico (dat zich heeft geuit in een forse afzetdaling na 2010), de productaansprakelijkheid (bijvoorbeeld claims van ex-rokers), het debiteurenrisico en voorraadrisico's. De inspecteur is van mening dat [D] , gelet op haar rol binnen het [A] -concern en de in dat kader door haar verrichte werkzaamheden, niet als entrepreneur kan worden aangemerkt. Ook de 'unique and valuable contribution' die belanghebbende [D] toedicht, maakt haar niet tot (mede-)entrepreneur. De kennis waaraan door belanghebbende wordt gerefereerd was volgens de inspecteur reeds aanwezig bij de producenten en/of de eindmarkten voordat gebruik werd gemaakt van [D] (en [S] ), zij het niet gecentraliseerd.
- het ontwikkelen van inkoopstrategieën en inkooptools en het voorzien van [D] van logistieke expertise;
- het ontwikkelen van standaardisaties en technologiestrategie voor de productie.
fast moving consumer goods, geen realiteitswaarde hebben. Uit de lijst met de door belanghebbende geaccepteerde comparables blijkt dat het ondernemingen betreft die zowel productierechten als verkooprechten bezitten van producten met veelal eigen merken. [D] daarentegen heeft geen productierechten, geen verkooprechten en geen eigendom van merken. Zoals belanghebbende zelf in haar in de rechtbankuitspraak vermelde brief van 23 juli 2014 heeft opgemerkt (“In fact it is not [D] that has been granted manufacturing rights. It is the end markets granting to [D] the rights to be able to procure the manufacturing of the products"), heeft [D] geen productierechten van de eindmarkten verkregen, maar slechts het recht om – voor rekening en risico van de eindmarkten – de productie in te kopen. Het organiseren en bundelen van de productie (en inkopen) maakt [D] geen producent en de hieruit voortvloeiende voordelen dienen niet aan [D] toe te komen, maar de eindmarkten. Desondanks blijft belanghebbende volhouden – wat betreft de inspecteur tegen beter weten in – dat [D] te vergelijken zou zijn met de full fledged ondernemingen die zij in haar benchmarks heeft meegenomen.
- de door belanghebbende meegezonden spreadsheets bevatten alleen getallen en geen formules, waardoor de inspecteur stelt niet te kunnen volgen welke berekeningen hebben plaatsgevonden;
- uit de producties 1 en 4 (die betrekking hebben op de PwC-benchmark van november 2011) blijkt – door de vermelding van de "rejection reason” – dat het bezit van een merk of patent voor PwC een criterium is geweest voor het afwijzen van ondernemingen als mogelijke comparables. Toch zitten er bij de wél geaccepteerde ondernemingen ook ondernemingen die een of meerdere merken bezitten. Onduidelijk is waarom die ondernemingen wel geaccepteerd zijn;
- in de PwC-benchmark van november 2011 is vermeld dat alle ondernemingen met minder dan 20% fixed assets zijn geëlimineerd. De inspecteur wijst erop dat [D] zelf zo'n onderneming is, aangezien zij volgens de inspecteur geen fixed assets heeft;
- belanghebbende heeft zowel in de benchmark van november 2011 als in de benchmark van april 2013 bedrijven opgenomen uit de categorieën 'Manufacture of perfumes and toilet preparation' en 'Manufacture of basic pharmaceutical products and preparations'. Deze categorieën bedrijven zijn naar de mening van de inspecteur niet vergelijkbaar met de branche waarin het [A] -concern actief is. Tijdens het [projectnaam] -overleg was het [A] -concern deze mening zelf ook toegedaan: het [A] -concern heeft destijds voorgesteld benchmarks te gebruiken met de NACE codes 10 (Manufacture of food products) en 12 (Manufacture of tobacco products);
- de benchmark van april 2013 bevat een selectie van bedrijven van over de gehele wereld. Naar de mening van de inspecteur is dat onjuist, de vergelijking zou zich behoren te beperken tot hetzelfde geografische gebied als waarin [D] actief was en dat door het [A] -concern als ‘ [regio] ’ wordt aangeduid;
- belanghebbende heeft de door [D] gerapporteerde resultaten vergeleken met de volledige benchmark-range. Dat is volgens de inspecteur niet alleen ongebruikelijk en niet in overeenstemming met haar eigen beleid maar ook onjuist, gelet op de hiervoor door de inspecteur gesignaleerde afwijkingen in profiel ten opzichte van [D] . Juist om tegemoet te komen aan onzekerheden in de vergelijkbaarheid is het volgens de inspecteur een algemeen aanvaard uitgangspunt dat de toetsing plaatsvindt aan de hand van de interkwartiele range.
fast moving consumer goodsen dat de FCMU de juiste vergelijkingsmaatstaf is voor het beoordelen van de door [D] gehanteerde verrekenprijzen. In de eerste plaats is dat volgens de inspecteur reeds niet het geval omdat het [projectnaam] -vooroverleg werd gevoerd namens een nog op te richten belastingplichtige. Er is daarmee ten aanzien van [D] op geen enkele wijze vertrouwen gewekt dat zij een soortgelijke methodologie (FCMU) zou kunnen toepassen. Ook uit de onder 8.1.18 vermelde correctiebrief van 18 juni 2018 bij de aanslag Vpb 2014, waar belanghebbende naar heeft verwezen, kan niet worden afgeleid dat het vertrouwen is gewekt dat [D] deze methode op dezelfde wijze zou kunnen gebruiken. Uit deze brief blijkt volgens de inspecteur juist duidelijk dat hij zich op het standpunt stelt dat de situaties van [projectnaam] en [D] niet vergelijkbaar zijn. Ook op basis van de door belanghebbende in hoger beroep ingebrachte stukken kan daarom niet worden geconcludeerd dat bij haar het vertrouwen is gewekt dat [D] de FCMU-methode zou kunnen toepassen en dat daarbij een vergelijking dient te worden gemaakt met producenten van
fast moving consumer goods, zo stelt de inspecteur.
De inspecteur verwijst hierbij naar de conclusie van A-G Wattel van 24 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:226, paragraaf 9.12.
- geen recht op (een deel van) de winst wordt verleend, maar slechts het recht op een deel van de te realiseren besparingen;
- de beloning pas wordt toegekend nadat vaststaat dat de besparing structureel is, na een periode van drie jaar (contract [D] -Exel) of slechts wordt toegekend voor een korte periode van drie jaar (contract met DHL/Exel);
- de partij die de besparingen voor de andere partij realiseert, minder dan 50% van de besparing als beloning krijgt;
- de beloning wordt toegekend voor concreet bereikte besparingen, op basis van nauwkeurig omschreven besparingsdoelen voor specifieke projecten.
contract manufacturerrespectievelijk als
toll manufacturer. De enige verandering die de inspecteur heeft kunnen constateren, betreft de vervanging van de eindmarkten als tegenpartij door [D] . Er is geen sprake geweest van wijzigingen in productieactiviteiten en productierisico's. De inspecteur is daarom van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan dat zij overtuigend heeft aangetoond, dat de functies en risico's van [E] met ingang van 1 april 2012 dusdanig zijn gewijzigd dat dit een aanmerkelijke verlaging van de beloningsgrondslag van [E] rechtvaardigt, zoals deze is vastgelegd in de TMA van 1 april 2012. Voor een nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft de inspecteur verwezen naar zijn in eerste aanleg ingediende stukken, waarin hij – samengevat weergegeven – onder meer het volgende heeft aangevoerd.
Base Conversion Fee– dat ruim twee derde deel uitmaakt van de kostengrondslag – jaarlijks met een inflatiecorrectie wordt aangepast. Eenzelfde bepaling is opgenomen in artikel 10 van Pro het contract tussen [F] en [bedrijfsnaam 36] SA ( [bedrijfsnaam 36] ). Deze bepaling leidt er toe dat door de producenten geïmplementeerde efficiencymaatregelen bijdragen aan hun eigen winst. Door [E] behaalde besparingen worden echter direct in de nieuwe budgetcijfers verwerkt, waardoor de voordelen ten goede komen aan [D] .
- i) In de opvatting van de inspecteur heeft [S] recht op een winstopslag van 6% over (uitsluitend) haar operationele kosten. Dit betekent dat de winstopslag van [S] over de ruwe tabak bij [F] uit de kostengrondslag dient te worden gehaald en dat het door [S] in rekening gebrachte cost-pluspercentage dient te worden verlaagd tot 6.
- ii) De in de jaarrekeningen van [S] verantwoorde operationele kosten zijn door de inspecteur (omgerekend in euro’s aan de hand van de gemiddelde dollarkoers van de desbetreffende jaren) naar rato van de omzet, aan de hand van de in de jaarrekeningen van [S] vermelde percentages van aan de regio [regio] geleverde ruwe tabak, aan [D] toegerekend. Aan de hand van het percentuele aandeel van [F] in de omzet van [D] heeft de inspecteur vervolgens het aandeel van [F] in de operationele kosten van [S] berekend.
- iii) Bij [D] is de volledige cost-plusbeloning teruggenomen die zij van [F] heeft ontvangen. Hiervoor in de plaats heeft de inspecteur een vergoeding van [F] aan [D] toegekend van 6% over het aandeel van [F] in de operationele kosten van [D] . Dit aandeel is door hem berekend aan de hand van het aandeel van [F] in de totale omzet van [D] .
- iv) Hoewel niet aan [D] , maar de fabrieken toekomend, is bij de in eerste aanleg overgelegde berekeningen van de correctie rekening gehouden met de winstopslag van 10% die [F] aan de fabrieken – in de visie van de inspecteur: bij [E] ook na 1 april 2012 – ook over de ruwe tabak en de WMS zou moeten voldoen. In de correctieberekeningen heeft de inspecteur dan ook een met deze 10%-winstmarge overeenkomende ‘beloning producenten’ in mindering gebracht op de bij [F] in aanmerking te nemen correctie van de door haar aan [D] betaalde cost-plus beloning. In de opvatting van de inspecteur zouden alle producenten een dergelijke vergoeding moeten ontvangen, zoals hij dit bij [E] daadwerkelijk heeft gecorrigeerd. Indien het Hof van oordeel is deze kosten niet in de beloningsgrondslag van de producenten (waaronder [E] ) begrepen dient te worden, dient deze post volgens de inspecteur te vervallen.
44,0% 42,9% 38,8% 42,0% 42,8% 38,6%
39.532.000 99.264.000 129.946.000 188.781.000 272.643.000 148.039.167
131.825.000 159.855.000 157.852.000 164.839.000 199.679.000 198.995.833
- 10.154.204 6.500.000 10.121.000 7.545.988 6.782.463
48.000.293 53.942.064
fast moving consumer goods) die significante prijs-, markt en productierisico’s liep en dat [D] daarom vergelijkbaar is met de ondernemingen (producenten van
fast moving consumer goods)die zijn opgenomen in de benchmarks die door haar in beroep zijn overgelegd en waarvan zij de gegevens in hoger beroep heeft laten actualiseren (hierna ook tezamen aangeduid als: de benchmarks). Belanghebbende stelt met deze benchmarks, alsmede met de door haar overgelegde TP-rapporten en overige bewijsmiddelen, overtuigend te hebben aangetoond dat de in de FGSA (en de SA) aan [D] toegekende beloning (cost-plus en profit split tezamen) at arm’s length is, omdat deze beloning zich binnen de als zakelijk aan te merken bandbreedte van de FCMU bevindt die uit de benchmarks kan worden afgeleid.
comparablesblijkt dat het ondernemingen betreft die zowel productierechten als verkooprechten bezitten, volgens de inspecteur veelal van producten met eigen merken, terwijl [D] dergelijke productie- en verkooprechten (en merken) niet bezit. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 8.5.2.3-8.5.2.5 is overwogen, is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, waaruit volgt dat [D] wat betreft functionaliteit voldoende vergelijkbaar is met de in de benchmarks opgenomen ondernemingen.
fast moving consumer goods. Belanghebbende heeft evenmin doen blijken dat [D] overigens voldoende vergelijkbaar is met de in de benchmarks opgenomen ondernemingen, zodat deze benchmarks en de daarin berekende FCMU niet bruikbaar zijn om de zakelijkheid te onderbouwen van de in de FGSA (en voor 2011 de SA) aan [D] toegekende beloning. Bij deze stand van het geding heeft belanghebbende zich subsidiair beroepen op het vertrouwensbeginsel.
fast moving consumer goodsen dat de FCMU daarbij de toe te passen vergelijkingsmaatstaf is.
fast moving consumer goods– wordt in deze correspondentie uitsluitend genoemd als methode om de omvang van het bij [projectnaam] in aanmerking te nemen informele kapitaal te bepalen.
fast moving consumer goodsen dat de FCMU de toe te passen vergelijkingsmaatstaf is. In de correctiebrieven voor 2015 en 2016 (zie 8.1.19 en 8.1.20) heeft de inspecteur uitdrukkelijk meegedeeld dat de aan [D] toegekende profit split niet zakelijk is en dat de cost-plus vergoeding gecorrigeerd dient te worden tot een opslag van 6% over de operationele kosten van [D] .
In paragraaf 8.5.4 zal het Hof oordelen over de door belanghebbende aangevoerde argumenten tegen de berekeningswijze van deze schatting alsmede het subsidiaire standpunt van belanghebbende over het daarbij te hanteren cost-pluspercentage.
De stelling van belanghebbende dat [D] vanaf 1 april 2012 alle functies en risico’s met betrekking tot inkoop van grondstoffen en materialen, voorraden, valuta en productkwaliteit heeft overgenomen van [E] , wordt derhalve verworpen. Ook met de door haar overgelegde productieovereenkomst met [bedrijfsnaam 31] en de in het TP-rapport [E] opgenomen analyse heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond dat de hiervoor vermelde functies en risico’s met ingang van 1 april 2012 door [D] worden uitgeoefend. Belanghebbende heeft deze bewijsmiddelen overigens overgelegd met een ander doel, namelijk als onderbouwing van haar standpunt dat de aan [E] in de TMA toegekende beloning zakelijk is, vanwege de met ingang van 1 april 2012 door [E] uitgeoefende functies en daarbij gelopen risico’s.
shallbe charged of refunded to the Buyer in the form of revised Transfer Prices for the next Calendar Year”), acht het Hof de door de inspecteur gemaakte schatting van de bij [S] in aanmerking te nemen cost-plusgrondslag niet onredelijk. Hierbij neemt het Hof tevens in aanmerking hetgeen hieronder (in 8.5.4.8) is overwogen over de wijze waarop de inspecteur bij zijn schatting rekening heeft gehouden met door [S] niet aan [F] doorbelaste kosten, door de volledige operationele kosten van [S] in zijn berekening van de cost-plusopslag op te nemen. De inspecteur heeft het ten aanzien van [S] in aanmerking te nemen cost-pluspercentage in redelijkheid kunnen schatten op 6%, conform de vaste gedragslijn binnen het [A] -concern om voor dienstverlening binnen de groep een cost-plus vergoeding te hanteren van 6%. Belanghebbende heeft niet van feiten of omstandigheden doen blijken die, gelet op de aard en omvang van de door [S] verrichte werkzaamheden, tot het aan [S] toekennen van een hoger cost-pluspercentage dan 6 kunnen leiden.
- i) De inspecteur heeft eerst het aandeel van de regio [regio] (hierna ook: regio [regio] ) in de totale ‘operating profits’ van [S] berekend (zie kolom A t/m C van de ‘Cost-plusberekening’) en daar de operating profits van [D] bij opgeteld (met cijfers ontleend aan de jaarrekeningen van deze vennootschappen). Op deze wijze heeft hij de totale operating profits van de regio [regio] bepaald (kolom E van de berekening).
- ii) Op vergelijkbare wijze heeft de inspecteur het totaalbedrag van de in aanmerking komende operationele kosten (‘operating expenses’) van de regio [regio] berekend (kolom F t/m I).
- iii) De toe te kennen zakelijke beloning is door de inspecteur gesteld op 6% van de gezamenlijke operationele kosten van de regio [regio] ( [S] en [D] tezamen, zie kolom I). Het gevolg daarvan is dat de 6% opslag van [S] (106% van de inkoopkosten) door [F] wordt vergoed, zonder dat [D] over deze kosten zelf weer een winstopslag ontvangt.
- iv) De door [D] en [S] daadwerkelijk gerealiseerde operating profits zijn, voor zover deze meer bedragen, door de inspecteur aangemerkt als “excess profit [regio] ” (kolom K). Dit betreft de ‘excess profit’ van de gehele regio [regio] .
- v) In kolom L is het percentuele aandeel van [F] in deze ‘excess profit’ berekend, hetgeen volgens de inspecteur resulteert in (zie kolom M) de bij [F] in aanmerking te nemen correctie, deels met een beroep op interne compensatie (kolom “[M-N]”.
core businessvan het [A] -concern, maar gelet op de omvang en complexiteit van de door [D] verrichte werkzaamheden, zoals de inspecteur deze ook zelf heeft beschreven (zie 8.4.2.7), kan de inspecteur zich niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat deze werkzaamheden uitsluitend routinematig van aard waren. Mede gelet op de door de inspecteur bij zijn schatting in aanmerking genomen grondslag voor de toe te kennen cost-plusbeloning en mede gelet op de onder 8.5.1.2 omschreven omstandigheden, is het Hof van oordeel dat de door de inspecteur zijn voor de jaren 2011 tot en met 2016 in aanmerking genomen verrekenprijscorrecties [F] - [D] , niet heeft gebaseerd op een redelijke schatting voor zover hij het in aanmerking te nemen cost-pluspercentage heeft gesteld op 6. Het Hof is, met in achtneming van alle overige hem bekend zijnde feiten en omstandigheden, van oordeel dat een cost-plus percentage van 10 wel als een redelijke schatting dient te worden aangemerkt. Belanghebbende heeft met hetgeen zij omtrent de aard en omvang van de door [D] verrichte werkzaamheden heeft aangevoerd, niet overtuigend aangetoond (ook niet bij een winstopslag over de operationele kosten) dat voor het in aanmerking te nemen percentage de full range dient te worden toegepast in plaats van de interkwartiele range en dat het percentage hoger moet worden gesteld dan op 10.
bewustheidvan het onzakelijke handelen en op zichzelf nog geen twijfel opgeroepen over een mogelijk andere oorzaak voor het onzakelijke handelen dan de gelieerdheid van [F] en [D] . Laat staan dat zij hiervoor relevante feiten of omstandigheden heeft doen blijken.
9.I&T royalty’s
Core Trade Marks" means the trade marks set out in Schedule 1 and any trade mark which incorporates, includes or is similar to such trade marks, including rights protecting goodwill and reputation, rights in designs and copyright subsisting in any of the foregoing, and any applications and registrations for any of the foregoing, anywhere in the Territory.
Innovations and Technology" means all patents, Know-how, rights in designs, copyright (including rights in computer software) and topography rights, database rights, plant variety rights and all rights and forms of protection of a similar nature to any of the foregoing or having equivalent effect, and any applications and registrations for any of the foregoing, anywhere in the Territory, which are owned by or licensed to the Licensor for the purposes of performing the Innovations and Technology Department’s objectives, excluding the Core Trade Marks and the Trade Marks.
Innovations and Technology Royalty" means the royalty set out in Schedule 3, Part II, and "
Innovations and Technology Royalties" shall be construed accordingly.
Trade Marks" means all trade marks owned by the Trade Mark Owner which are used in association with the Core Trade Marks (including any trade marks developed in respect of any Innovations and Technology), including rights protecting goodwill and reputation, rights in designs and copyright subsisting in any of the foregoing, and any applications and registrations for any of the foregoing, anywhere in the Territory.
Hof: de hier niet door de rechtbank afgebeelde tabel is opgenomen in de hierna aangehaalde uitspraak 3 als‘
SCHEDULE 1: CORE TRADE MARKS’]
Trade Mark Royalty” means a royalty of five per cent (5%) of the Net Sales Revenue:
Innovations and Technology Royalty" means a royalty of two per cent (2%) of the Net Sales Revenue (excluding the Products bearing the Core Trade Mark [merknaam 7] ):
Hof: deze ‘Executive summary’ is hiervoor in onderdeel 1.8.4 van uitspraak 2 opgenomen)
Hof: een eerste deel van het antwoord is hiervoor in onderdeel 1.8.6 van uitspraak 2 opgenomen)
“4. [D] / [E] /Royalty’s
De rechtbank heeft met betrekking tot de jaren 2011-2013 geoordeeld dat belanghebbende inzake [D] / [E] /royalty’s onzakelijk heeft gehandeld. Belanghebbende heeft geen (relevante) nieuwe feiten naar voren gebracht inzake deze oude TP zaken met betrekking tot de jaren 2014-2016, zoals ik ook heb aangegeven in mijn conclusies van dupliek van 30 maart 2023 en 18 april 2023. Ik zie dan ook geen aanleiding voor de rechtbank om inzake de oude TP zaken over die laatste jaren anders te oordelen dan over de jaren 2011-2013 voor wat betreft het oordeel dat onzakelijk is gehandeld.”]
Wel betwist verweerder onder meer dat de innovatie en technologie die verband houdt met de I&T royalty’s slechts ter beschikking worden gesteld aan de Core Trade Marks. Verweerder stelt dat alle gebruikers van [A] -licenties, zowel gelieerde als ongelieerde, met de verleende licentie(s) ook gebruik maken van deze technologie en innovaties, maar daarvoor, anders dan [F] , geen I&T royalty betalen. In het TP rapport zijn de bestaande licentiecontracten waarin [A] licentiegever is en een derde licentienemer, in het onderdeel betreffende de ‘Innovation and Technology’-royalty niet meegenomen, terwijl zij volgens verweerder wel vergelijkbaar zijn. De TP rapporten zijn dan ook niet bruikbaar volgens verweerder.
De 14 licentieovereenkomsten zijn het resultaat van een zorgvuldig uitgevoerd selectieproces uit de ‘Royaltystat database’ van de [land 25] SEC. Belanghebbende wijst voorts voor een haars inziens genuanceerde visie op de betekenis en vergelijkbaarheid van de 14 contracten in het rapport:
Het onderzoek leverde twee externe comparables in de tabaksindustrie op, in beide gevallen met een 2% royalty. Ook dat wijst erop dat er geen I&T aan derden ter beschikking is gesteld. Het benchmarkonderzoek leverde uiteindelijk 14 vergelijkbare transacties in andere sectoren op, met een interkwartiele range van 2,63 tot 5,38%.
Dit alles versterkt het beeld dat (a) de [A] -I&T niet aan derden ter beschikking is gesteld en (b) technologie tussen derden sowieso niet gratis ter beschikking wordt gesteld.
Trademark Royalties’, van juli 2010, is opgesteld door PwC. In latere jaren zijn rapporten door [A] zelf opgesteld zoals het rapport “Innovation & Technology Royalties” voor het jaar 2014 dat evenals het rapport van PwC tot de gedingstukken behoort. Ter toelichting heeft belanghebbende aangegeven dat de rapporten onderschrijven dat een 2% royalty (en 3% met ingang van 2015) zich binnen de aanvaardbare range van de als CUP aangemerkte contracten bevindt. Voor innovatieroyalty's is de bandbreedte 0,5%-8%, respectievelijk 1%-4,5%. Belanghebbende heeft hierbij het oog op de “Narrow Set” waar de farmaceutische innovaties uit gefilterd zijn. De “Broad Set" gaf nog beduidend hogere uitkomsten. Hoe dan ook ligt de 2% I&T-royalty volgens belanghebbende comfortabel binnen de bandbreedte die PwC heeft gevonden.
De gevonden royaltypercentages liggen in een range van 0,5% - 8%, met een interkwartiele range van 1,4% - 4,5%. In het door [A] opgestelde TP-rapport voor 2014 gaat om een verzameling van 61 vergelijkbaar geachte contracten ten behoeve van de benchmarkstudie. Er zijn volgens belanghebbende geen contracten aangetroffen waarbij gebruik van I&T werd toegestaan aan derden. De verhoging van de royalty van 2% naar 3% per januari 2015 reflecteert volgens belanghebbende het benchmarkniveau en het toenemende belang van innovatie in de productportefeuille.
De 14 licentieovereenkomsten zijn het resultaat van een zorgvuldig uitgevoerd selectieproces uit de Royaltystat database van de [land 25] SEC, waarbij in eerste instantie meer dan 200 overeenkomsten zijn uitgekozen, waarna de selectie handmatig is verfijnd. Belanghebbende wijst daarbij op de desbetreffende passage uit het TP-rapport:
- i) geen betrekking hadden op de core trade marks, maar op andere merken die geen gebruik maken van de I&T;
- ii) betrekking hadden op perioden die lagen vóór 2010, dat wil zeggen vóórdat [A] de 2% I&T-royalty introduceerde, en/of
- iii) waren aangegaan voor uitzonderlijke omstandigheden, waardoor contractueel en de facto uitgesloten was dat de licentiehouder gebruik zou maken van de I&T.
- i) dat de I&T alleen wordt toegepast in producten van de core trade marks;
- ii) dat de I&T nooit ter beschikking is gesteld van derden;
- iii) dat voor licenties waarbij de I&T ter beschikking werd gesteld van groepsmaatschappijen altijd een royalty van 2% - en later 3% - in rekening is gebracht.
- iv) de enige uitzondering daarop is een licentie voor het gebruik van een klein onderdeel van de I&T die [R] in 2014 heeft verleend aan [bedrijfsnaam 41] , een 50-50 joint venture tussen [A] en het [land 38] staatstabaksmonopolie, voor welke licentie gedurende een aanvangsperiode van vier jaar geen royalty in rekening is gebracht, waarna de royalty vanaf 2019 is gesteld op 3%.
Zo gaat het ook met de meer recente vernieuwingen, zoals capsules of Reloc-pakjes; die worden eerst gedurende lange tijd alleen gebruikt voor de ‘Global Drive Brands’, maar het zou best kunnen dat die innovaties op enig moment, als het exclusieve eraf is, ook bij andere merken wordt aangeboden.
Het contract tussen [bedrijfsnaam 45] Limited en [bedrijfsnaam 44] Inc. ( [bedrijfsnaam 44] ) in [land 7] heeft wel betrekking op een core trade mark, namelijk [merknaam 4] . Het is echter al in 1998 overeengekomen en kan tot 2036 alleen door de licensee, worden opgezegd. De 15 overeenkomsten die de inspecteur aanhaalt zijn volgens belanghebbende wél relevant als het gaat om het toetsen van de 5% trade mark royalty’s die zij/ [F] voor alle merken betaalt. Dat is de reden dat deze overeenkomsten wel zijn vermeld in het TP-rapport “Trade Mark Royalties/Period ended 31 December 2014’’. Uit de cijfers en de vergelijkbare contracten die het TP-rapport aanhaalt volgt voorts dat zelfs een reguliere royalty van 7% niet onzakelijk hoog zou zijn. Het 2010 rapport van PwC trekt deze conclusie uitdrukkelijk; zelfs als [R] helemaal geen bijzondere investeringen zou hebben gedaan in de innovatie van de core trade marks, zou een royalty van in totaal 7% niet buiten de zakelijke bandbreedte vallen.
duidelijke uitschieter die als mogelijk niet maatgevend geëlimineerd dient te worden". Die duidelijke uitschieter is echter niet zo duidelijk meer als we bedenken dat de range van 15 contracten meerdere royalty’s kende van rond de 15% en één van 20%. Bovendien is opmerkelijk dat de inspecteur de twee licenties met een royalty van 0% niet als uitschieters beschouwt. Als de inspecteur meende dat de licentie met de 15%-royalty geen vergelijkbare transactie was, had hij concreet moeten toelichten waarom. Het enkele feit dat deze royalty de hoogste uit de verzameling was – en er is er altijd één de hoogste – is daartoe onvoldoende.
De inspecteur acht vooral deze laatsten van belang, omdat daar de positie van de derde te vergelijken is met die van [F] als licentienemer. In geen van de contracten waarbij [A] partij is, zijn de bestaande royalty’s met een I&T royalty verhoogd. Het gemiddelde royalty percentage komt dan uit op nog geen 3%. Daarbij acht de inspecteur de uitschieter met een percentage van 15 niet maatgevend. In geval van de, althans volgens de inspecteur, minder relevante contracten waarbij een [A] -vennootschap licentienemer is, wordt wel een verhoging van percentages aangetroffen. De achtergrond van die verhoging is hetzij compensatie voor omzetdaling, hetzij overname door een concurrent, dan wel is de oorzaak niet beschreven in het TP-rapport en dus onbekend. Verder wijst de inspecteur er op dat twee contracten zijn gesloten na het aangaan van de TMTAA, terwijl ook in die beide gevallen geen I&T- royalty is berekend.
Deze verklaring houdt in dat met de licentie die verstrekt is door [bedrijfsnaam 45] , onderdeel van het [A] concern, aan [bedrijfsnaam 44] als licentienemer voor de [land 7] markt van het merk [merknaam 4] , [bedrijfsnaam 44] niet het recht heeft verkregen om de technologie te gebruiken die eigendom is van [A] . Voorts houdt deze verklaring in dat [A] aan [bedrijfsnaam 44] alleen de receptuur en mix van tabakssoorten heeft verstrekt om te gebruiken in [merknaam 4] sigaretten die [bedrijfsnaam 44] zelf produceert voor de [land 7] markt. De vraag is volgens de inspecteur wat deze verklaring betekent. Belanghebbende heeft in punt 26 en 27 van het nader stuk van 23 oktober 2020 aangegeven, dat in deze "uitzonderlijke situatie" geen technologie van [A] in die sigaret zit. Omdat de technologie van [A] niet in die sigaret zit is het contract met [bedrijfsnaam 44] volgens de inspecteur niet vergelijkbaar met de rechtsverhouding tussen [R] en [F] . Dat bevestigt belanghebbende overigens zelf ook in onderdeel 12 van haar nader stuk. Bovendien bevestigt de verklaring impliciet dat er geen apart contract is voor toegang tot de I&T, tegen betaling van een royalty van 2% of 3% tussen [A] en [bedrijfsnaam 44] . De verklaring laat volgens de inspecteur onverlet dat er nog steeds sprake kan zijn van verstrekte licenties op core trade marks aan derden.
Op dezelfde – volgens de inspecteur – niet overtuigende manier heeft belanghebbende eerder getracht uit te leggen waarom drie andere licenties op core trade marks geen I&T-royalty bevatten. Er zijn volgens de inspecteur dus diverse contracten die zien op core trade marks waarbij belanghebbende zich in allerlei bochten wringt om uit te leggen waarom in dat specifieke contract geen I&T-royalty is afgesproken. Volgens de inspecteur komt dit uiteindelijk erop neer, dat voor geen enkeltrademark, ook niet voor core trade marks, een I&T-royalty van een derde is verlangd.
Background’ van de TMTAA is bepaald dat de licensor licenties kan verstrekken voor het gebruik van de I&T, is de enige beperking daarin aangebracht het “
connected with cigarette and tobacco products in the Territory”. Deze ‘
cigarette and tobacco products’zijn niet gedefinieerd of anderszins gekoppeld aan de Core Trade Marks. De term ‘Products’ is wel gedefinieerd, maar deze is niet gebruikt in de beschrijving van de ‘
Background’. Bovendien stelt het Hof vast dat de I&T ruim is omschreven en alleen lijkt te zijn ingeperkt door de zinsnede “
which are owned by or licensed to the Licensor for the purposes of performing the Innovations and Technology Department’s objectives”. Deze ‘
objectives’ zijn niet nader omschreven in de TMTAA. Dit leidt het Hof tot de conclusie dat niet valt uit te sluiten dat, naar de inspecteur ook heeft gesteld, I&T ter beschikking kan staan van derden die – gebruik makend van Core of non-Core Trade Marks – daarvoor dan geen I&T royalty verschuldigd zijn, terwijl dat wel het geval is voor [F] op grond van de TMTAA.
10.Rente [C]
Hof: hierna ook: concernlening). De rentemarge is gebaseerd op de stand-alone rating van eiseres. Barclays Capital heeft bij brief van 2 mei 2008 deze stand-alone rating benaderd op 225 bps.
(…)
3.3 Toegepast systeem
(…)
De lening is in november 2012 tot op € 27 miljoen afgelost. In mei 2013 is voor hetzelfde bedrag een nieuwe lening verstrekt met een spread van 130 bps boven LIBOR. Dit is in mei 2014 aangepast naar een spread van 67 bps.
3.7 Concernlening
2.015.333
Hof: uitspraak I] (ro. 3.4.1 tot en met 3.4.4). Hieruit volgt dat bij de hoogte van de door [X1] aan [C] te betalen rente rekening moet worden gehouden met implicit support, dat verweerder de correcties van de rentevergoedingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat aangenomen wordt dat er sprake was van de bij de betrokken partijen benodigde bewustheid van de bevoordeling door [X1] van [C] . Weliswaar geldt voor een deel van de overwegingen dat daarbij de bewijslast op verweerder lag, terwijl in de onderhavige zaken op eiseres de verzwaarde bewijslast rust, maar de eindconclusie in die zaken is al dat eiseres niet meer dan de door verweerder berekende rente ten laste van haar winst kan brengen. De rechtbank volstaat dan ook met verwijzing naar die overwegingen, aangezien de eindconclusie in de onderhavige zaken voor eiseres immers dezelfde is.
Hof:zie ook onder 6.6.14.2]. De eerste OECD publicatie waarin specifiek werd ingegaan op dit onderwerp, was de Discussion Draft on the Revision of Chapter IV of the OECD Guidelines on Intangibles van 30 juli 2013. Al met al kan worden gezegd dat er wellicht in de vakliteratuur wel gesproken is over implicit support, maar dat zowel de OECD als de [land 6] fiscus zich die ideeën eerst in 2013 eigen zijn gaan maken. Volgens belanghebbende stoelt de implicit support-gedachte, op basis waarvan de inspecteur in 2014 is begonnen aan een onderzoek naar de hoogte van de garantiefees, niet zozeer op een nieuw feit als wel op voortschrijdend inzicht in het recht. Een gewijzigd inzicht in het recht kan echter geen grond zijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag.
- i) ofwel er bestond in de hier relevante jaren nog niet de verplichting om rekening te houden met implicit support en dus om een afgeleide rating te bepalen; in dat geval had de inspecteur geen onderzoeksplicht, maar dan had hij ook geen mogelijkheid om achteraf alsnog correcties toe te passen,
- ii) ofwel de OECD-richtlijnen uit 1995 zijn de rechtsgrond voor de toepassing van implicit support, en de betreffende criteria voor strategisch belang waren toen al duidelijk, zoals de rechtbank vindt; in dat geval beschikte de inspecteur al vanaf uiterlijk 2008 over voldoende aanwijzingen om onderzoek te moeten doen. In dat geval heeft de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan door zijn onderzoeksplicht te verzaken.
De op de interne lening gehanteerde spread van 225bps leverde in 2008 een rentepercentage op van 7,084% op jaarbasis. Door de vergelijking met het rentepercentage voor een langer lopende en vastrentende lening kan gesteld worden dat sprake is van een minimum correctie.”
De inspecteur verwijst naar het overzicht op pagina 109 van zijn verweerschrift 2012-2013 van 12 april 2019. Voor het verschil tussen de correctie zoals deze had moeten zijn van € 2.937.852 (zie 10.6.4), en de opgelegde correctie van € 2.771.083, te weten € 166.769, doet de inspecteur een beroep op interne compensatie.
Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend. De inspecteur heeft daarbij mogen uitgaan van het moment waarop de concernlening is aangegaan; op dat moment bedroeg de rente op de concernlening, te weten het variabele deel tezamen met de vaste opslag, meer dan de vaste rente op de obligatielening. Het door de inspecteur in aanmerking genomen verschil tussen deze beide rentevergoedingen acht het Hof niet onredelijk. Daarvan uitgaande is het niet onredelijk dat de inspecteur dit verschil in aanmerking heeft genomen voor de correctie in de jaren 2011, 2012 en 2013, althans tot het moment waarop de lening afliep in mei 2013. Voor zover de correctie ook nog betrekking heeft op de periode daarna, acht het Hof de schatting niet redelijk. Immers de inspecteur heeft in eerste aanleg verklaard dat geen onderzoek is gedaan naar de voorwaarden van de daarna afgesloten (veel kleinere) lening, en zich neergelegd bij het daarop betrekking hebbende oordeel van de rechtbank inzake de jaren 2014 tot en met 2016 (zie onderdelen 3.5.1 en 3.5.2 van uitspraak 3). De correctie voor het jaar 2013 dient derhalve verminderd te worden tot € 108.810 (€ 27.000.000 x 1,209% x 4/12). De correcties voor de jaren 2011 en 2012 bedragen respectievelijk € 3.023.000 en € 2.937.852, met dien verstande dat de correctie 2012 bij aanslagregeling voor een bedrag van € 2.771.083 in aanmerking is genomen, reden waarom de inspecteur zich voor € 166.769 (= € 2.937.852 -/- € 2.771.083) heeft beroepen op interne compensatie (zie ook onder 10.5.10). Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd, de onjuistheid van de uitspraken op bezwaar wat betreft deze (voor 2013 bijgestelde) correctieberekeningen van de inspecteur niet doen blijken.
11.Novatie en rente bonds
715.740.000
3.029.440.000
2.443.396
(‘unsustainable’)geacht na de wijziging in het [regio] trading model per 1 juni 2016 (het wegvallen van de licentieopbrengsten).
“de markt”(…). In ieder geval blijkt mede daaruit dat de lokale vennootschap geen invloed op deze parameters heeft. Group treasury verzorgt de uitgifte van de Bonds.
Ter (indirecte) financiering van de novatie heeft [X2] deelnemingen in [land 22] en [land 23] verkocht.
(…)
Er is geen direct verband tussen de aanwending van de Bonds financiering en de verkochte deelnemingen. [K] heeft de Bonds gebruikt om [X1] financiering te verstrekken. [X1] heeft daarmee haar eigen deelnemingen gefinancierd. De verkochte deelnemingen waren echter deelnemingen van [X2] .
(…)
6.1 Samenhang novatie, grondslag en deelnemingen
(…)
Nadat de inkomsten van [F] wegvallen, is de erodering van de grondslag volgens belanghebbende niet langer ‘sustainable’. De rentelasten zijn niet langer gewenst en moeten worden voorkomen. Als gevolg van het opzeggen van de licentieovereenkomsten wordt daarom besloten om deelnemingen bij [X2] (en niet [X1] ) te verkopen aan [G] . De opbrengsten hieruit worden door [X2] in [X1] gestort als eigen vermogen. Met deze middelen lost [X1] haar lening op [K] af en [K] gebruikt deze middelen vervolgens om de Bonds te noveren aan het gelieerde, in [land 1] gevestigde [C] . Door de gedaalde marktrente én de looptijd van de Bonds leidt de novatie tot een fiscaal verlies van € 357 mln. bij [X1] .
(…)
(…)
(…)
De financiering maakt onderdeel uit van het concern-brede EMTN programma.
(…)
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102, BNB 2021/136 (Triple Dip-arrest), r.o. 3.3.2 het volgende overwogen:
€ 45 miljoen per jaar bedragen.
Het renterisico dat belanghebbende ( [X1] / [K] ) liep door het uitgeven van de langlopende obligaties met een vaste rente betrof een normaal ondernemersrisico. Indien de markt zich in de tegenovergestelde richting had ontwikkeld en de novatie winst had opgeleverd, zou die winst ook belastbaar zijn geweest. De keuze tussen een variabele of vaste rente is een ondernemersbeslissing en kan, indien de rentevoet voldoet aan de zakelijkheidstoets, niet worden bestreden met het argument dat een andere keuze voordeliger zou zijn geweest.
Hof: in het controlerapport aangeduid als deelnemingen in [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 46] ]. [K] heeft de Bonds gebruikt om [X1] financiering te verstrekken. [X1] heeft daarmee haar eigen deelnemingen gefinancierd. De verkochte deelnemingen waren echter deelnemingen van [X2] .”
11.6.10.1. Als desalniettemin ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende ten tijde van de emissie van de vierde tranche bekend was of redelijkerwijs behoorde te zijn met het voornemen om de activiteiten van [F] te beëindigen en in zoverre een einde te maken aan de funding van de door de bonds opgeroepen rentelast, doet zich de vraag voor of belanghebbende onder die omstandigheid de hiervoor bedoelde keuzevrijheid heeft overschreden, door, evenals de eerdere emissies, de vierde tranche van de bonds uit te geven tegen een lange looptijd en een vaste rente. In dit verband overweegt het Hof dat de vraag of de keuzevrijheid wordt overschreden mede een rechtsvraag is en dat in zoverre van belanghebbende niet mag worden verlangd dat zij overtuigend aantoont dat die keuzevrijheid niet is overschreden.
12.Project [naam 2]
12.1.3. In een e-mailwisseling van [naam 3] ( [bedrijfsnaam 47] ) met functionarissen in [land 2] ( [bedrijfsnaam 50] en/of [bedrijfsnaam 52] ) is onder meer het volgende vermeld:
I am attaching below a note for the SC, which I request that you treat as confidential.
i)
Filter snap off:
(…)
The filter snap off issue had never been seen before in [A] and was only detected post national launch. Subsequent to the snap off problem being escalated, [bedrijfsnaam 50] management asked [bedrijfsnaam 50] TMR's if they had received any consumer feedback on this problem. Seven [bedrijfsnaam 50]
I'MR'sdid recollect snap off issues during the pre-launch phase although these were not documented.
Unidentified solution for ink bleeding issue:
(…)
Timing for v filter issue solutions:
Low consumer acceptance of the product:
"Recent consumer feedback indicate that 54% of smokers who tried [naam 2] find the Menthol loading to be too low and are not willing to try it again".
(…)
(…)
In eerste instantie heeft [bedrijfsnaam 47] de goedkeuring verleend voor de terugtrekking.
De beslissing is op het niveau van [bedrijfsnaam 47] genomen.”
£ 23.2 million (“Project [naam 2] ”) and management would update the Board on progress at the next meetings.”
- het bestuur van [bedrijfsnaam 47] is na de directievergadering van 11 augustus 2011 niet meer door [bedrijfsnaam 50] geïnformeerd tot het moment waarop het besluit werd genomen om de nieuwe [naam sigaret] sigaret uit de markt te nemen;
- de Internal Audit Review van februari 2012 is niet aan [bedrijfsnaam 47] verstrekt;
- in de door [bedrijfsnaam 50] opgestelde business case is het risico van het project als ‘laag’ gekwalificeerd, terwijl in de periode maart – augustus 2011 diverse rapporten over het Project [naam 2] zijn verschenen waarin het risico daarvan als hoog is gekwalificeerd. De inspecteur verwijst ter onderbouwing hiervan naar specifieke passages uit de Internal Audit Review van 2012, en
- aan de introductie van de sigaret is een marketing simulatietest (STM) vooraf gegaan. Volgens de inspecteur is de uitkomst van de STM niet met – naar het Hof begrijpt – [bedrijfsnaam 47] gedeeld, gemanipuleerd en is de STM gebaseerd op een prototype dat afweek van de definitieve versie van de sigaret.
- volgens de STM van september 2011 zou in het beste scenario een marktaandeel van 0,18% worden gehaald, daar waar 0,20% binnen [A] de kritische ondergrens is;
- [bedrijfsnaam 50] heeft die grens eigenhandig buiten medeweten van [bedrijfsnaam 47] verlaagd;
- daarentegen rapporteert [bedrijfsnaam 50] in een rapport “naar de betrokkenen” een marktaandeel van 0,3%;
- op basis van deze onjuiste info is binnen [A] besloten het project voort te zetten.
- dit wordt in “het rapport” – naar het Hof begrijpt de Review – uitvoerig
- er waren al eerder filter problemen (afbreken) geweest in [land 41] ;
- het besluit van het ASPAC team [
- de STM is toegepast op een prototype van de sigaret dat beter was dan de sigaret die daadwerkelijk is geïntroduceerd;
- vanwege de versnelde introductie is de sigaret aangepast (eenvoudiger gemaakt) en vooral daardoor zijn de problemen ontstaan;
- en daardoor was er geen tijd voor een proefproductie en het opzetten van minimum kwaliteitsstandaarden,
- en dan wijst inspecteur nog op enkele aanbevelingen (voor de toekomst) in het Audit rapport.
12.3.11.1. Volgens de inspecteur had [bedrijfsnaam 47] naar aanleiding van het interne rapport actie moeten ondernemen, waaronder het vragen van een nader advies, omdat het rapport van [bedrijfsnaam 53] niet de vraag beantwoordde of er aan de kant van [bedrijfsnaam 50] sprake was van grove nalatigheid.
Hof: en dit in aanvulling op hetgeen onder 12.3.4 is vermeld] dat uit de Review blijkt van de volgende feiten en omstandigheden:
- rapportages uit de periode maart-augustus 2011 gaven aan dat de risico’s van het project ‘hoog’ waren; deze rapportages zijn door [bedrijfsnaam 50] niet met [bedrijfsnaam 47] gedeeld;
- [bedrijfsnaam 47] heeft van [bedrijfsnaam 50] te horen gekregen dat de risico’s laag waren vanwege de nog uit te voeren STM;
- op 11 augustus 2022 [het Hof begrijpt: 2011] krijgt [bedrijfsnaam 47] te horen dat de kosten van de lancering van de sigaret € 28,5 miljoen bedragen, en
- [bedrijfsnaam 50] heeft [bedrijfsnaam 47] niet geïnformeerd over de risico’s van de vervroeging van de introductiedatum van de nieuwe sigaret van het tweede kwartaal 2012 naar december 2011.
In dat rapport is volgens belanghebbende niet vastgesteld dat [bedrijfsnaam 50] bewust onjuiste informatie heeft verspreid, informatie heeft gemanipuleerd of op andere wijze grof nalatig heeft gehandeld.
Uit deze adviezen blijkt volgens belanghebbende dat er geen grond was voor [bedrijfsnaam 47] om op basis van artikel 8.6 DMA bij [bedrijfsnaam 50] een schadeclaim in te dienen.
Deze contracten zijn volgens belanghebbende op juiste wijze toegepast, zodat [bedrijfsnaam 47] als restwinstgenieter de kosten van Project [naam 2] heeft dienen te dragen.
)onthouden of misleiden van [bedrijfsnaam 47] meer concrete aanwijzingen in de stukken voorhanden zouden zijn, maar dat is naar het oordeel van het Hof niet het geval.
13.Reorganisatiekosten [E]
(…)”
(…)
toll manufacturingaan de eindmarkten dienen te worden toegerekend, in dit geval derhalve aan de (tot dezelfde fiscale eenheid als [E] behorende) concernvennootschap [F] .
14.Oude waarderingsgeschillen
De gedachte achter dit model is dus dat de verschillende markten als het ware centraal kunnen worden aangestuurd waardoor processen en systemen gestandaardiseerd kunnen worden met als doel de besluitvorming te verbeteren en vereenvoudigen. Ook op het gebied van marketing kan zo een verbetering van de efficiency worden bereikt door bijvoorbeeld centraal/regionaal ontwikkelde marketing toolboxen over de verschillende markten efficient uit te rollen. Er wordt momenteel binnen [regio] gekeken om dit export model verder uit te breiden met als uiteindelijk resultaat een slagvaardige 'above market' organisatie voor alle [regio] markten.
De licentierechten geven recht op de productie- en verkooprechten ten aanzien van verschillende sigarettenmerken in markten in Oost Europa, [land 42] en [land 4] .
De discussie is na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO) in 2012 opgeschort naar het jaar waarin [A] in Nederland ophoudt compenserende inkomsten te ontvangen in het geval zich dat voor 2025 zou voordoen. In 2016 zijn alle licentierechten waarover Nederland beschikte beëindigd, waardoor [X2] per 1 juni 2016 geen compenserende inkomsten meer genoot. In 2016 wordt op grond van de VSO een aanvullende vergoeding voor de overdrachten in 2003 t/m 2009 in aanmerking genomen. [A] heeft daarom in de aangifte 2016 € 10 mln. verantwoord.
Oude Waarderingsgeschillenbetreffen de volgende transacties:
11.76
204.231
De compensatie die [bedrijfsnaam 55] en [N] daarvoor hebben ontvangen zijn echter niet zakelijk.
(…)
De hoge WACC wordt veroorzaakt door een hoge risk [merknaam 20] rate. Standaard zijn verschillen in risk [merknaam 20] rate te verklaren door verschillen in verwachte inflatie. Daarbij dient bedacht te worden dat deze inflatieeveneens in de verwachte opbrengsten van de bedrijven zit. Immers: was dit niet het geval, stegen de prijzen van bedrijven niet, dan was er geen inflatie. Op lange termijn, bijvoorbeeld in de stabiele periode die bij de Terminal Value wordt verondersteld, zou men verwachten dat een verschil in risk [merknaam 20] rates verklaard kan worden door een verschil in groei. Het is dan van tweeën één. Of er wordt uitgegaan van een hoge risk [merknaam 20] rate, gekoppeld aan een hoge WACC met een hoge groei. Of er wordt uitgegaan van een lage groei, maar dan wordt de risk [merknaam 20] rate evenzo verwacht lager te zijn, en daarmee de WACC. De combinatie van een hoge WACC van 19,4% en een lage verwachte groei van 4% is disproportioneel.
(…)
Ten behoeve van de productie koopt [bedrijfsnaam 56] de benodigde grondstoffen in. De belangrijkste grondstof betreft de ruwe tabak (leaf). De leaf wordt buiten [land 3] verbouwd en wordt door [bedrijfsnaam 56] in [land 3] ingevoerd. Over de betaalde kosten voor de leaf is [bedrijfsnaam 56] invoerrechten verschuldigd. De leaf maakt ongeveer 40% van de totale kostprijs van de sigaretten uit. Doordat de productie in [land 3] plaatsvindt, zijn geen invoerrechten meer verschuldigd over de ingevoerde sigaretten (eindproducten). Dit levert een substantiële kostenbesparing voor [A] op. Het tarief voor leaf ligt aanmerkelijk lager dan voor sigaretten (5% ten opzichte van 30%) en daarnaast is de grondslag waarover de invoerrechten worden berekend aanmerkelijk lager: 40% van de kostprijs in plaats van de verkoopprijs voor sigaretten van [bedrijfsnaam 55] aan [bedrijfsnaam 63] .
Economische rationale
De vergoedingdie voor een dergelijke transactie in aanmerking genomen moet worden, behoort met de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, die bovendien voor iedere enigszins ingevoerde betrokkene kenbaar moeten zijn geweest, rekening te houden.
De waarde is bepaald voor de eerste periode waarvoor de sub-licentie is verstrekt, de optiepremie en voor de waarde van de sub-licentie voor de optieperiode. Naast de aldus bepaalde waarde hebben betalingen voor royalty-verplichtingen plaatsgevonden. Omdat deze ook weer door [bedrijfsnaam 55] zijn doorbetaald aan de TMO’s wordt daar verder van geabstraheerd.
[bedrijfsnaam 55] [merknaam 8] domestic and [regio 4]staat vermeld dat een prijs is overeengekomen van USD 36,375 mln. voor een gewaardeerd bedrag ad USD 32,066 mln. Als motivering hanteert men:
The amount of USD 36.375k on reflects the amortisation of the intangible in [land 3] .Het lijkt er op dat [A] hier zelf rekent met een TAB-factor van 1,1344 (= 36.375/32.066).
Wij hebben enkel de [land 3] waarderingsrapporten die zien op [merknaam 8] (eerste periode), [merknaam 8] [regio 4] , [merknaam 5] (eerste periode)en [merknaam 4] (eerste periode) van [A] ontvangen.
De door PwC in de [land 3] waarderingsrapporten bepaalde waarde van de rechten voor deze perioden ligt in totaal bijna 2,5 keer zo hoog als de waarde die [A] in de Nederlandse aangiften voor deze perioden in aanmerking heeft genomen. Wij zien geen aanleiding te veronderstellen dat de – niet verstrekte – waarderingsrapporten voor de andere perioden een ander beeld laten zien. Het vermoeden is gerechtvaardigd dat de waardering die in [land 3] voor deze transacties is gemaakt aanmerkelijk hoger ligt dan de bedragen die als opbrengsten in de Nederlandse aangiften zijn verantwoord. Bij een op basis van de van [A] ontvangen [land 3] waarderingsrapporten geconstateerde factor van 2,5 komt de in [land 3] in aanmerking genomen waarde voor alle licenties uit op € 325 mln.
De transacties zijn niet onder at arm’s length voorwaarden verantwoord. Onze berekeningen op basis van bovenstaande uitgangspunten zijn opgenomen in bijlage 1.
De transactie was onderdeel van de verkoop van een groot deel van de onderneming van de [bedrijfsnaam 60] aan [bedrijfsnaam 57] . De overnamesom bedroeg [munteenheid 2] 155,533 mln. (€ 77,237 mln.). Hiervan had [munteenheid 2] 148,295 mln. (€ 73,643 mln.) betrekking op de overgedragen business rights (de licentierechten), het restant ziet op overgedragen materiële vaste activa.
Debeide versies wijken tekstueel enigszins van elkaar af, maar daarmee is geen materiële wijziging van de feiten of analyse beoogd. Het gebruikte cijfermateriaal in beide versies komt geheel overeen. Het gehanteerde waarderingstijdstip is 31 oktober 2008.
Bijlage 3). Deze correctie is als volgt onderverdeeld in (bedragen in duizend euro):
En in het Valuation Report bij de in geschil zijnde transactie in 2008 waarbij de [bedrijfsnaam 60] de productie- en verkooprechtenten aanzien van de merken [merknaam 4] , [merknaam 8] , [merknaam 2] , [merknaam 1] , [merknaam 3] en [merknaam 7] voor de [land 4] markt heeft overgedragen aan [bedrijfsnaam 57] is sprake van de Fair Market Value.
Bij de in geschil zijnde transactie is noch in het waarderingsrapport noch anderszins rekening gehouden met synergievoordelen.
driven largely by improvements in the supply chain and savings in administrative costs.Bij de berekening van de [munteenheid 1] 30 mln. is met andere woorden sprake van “cost synergies”.
Of er wordt uitgegaan van een hoge risk free rate, gekoppeld aan een hoge WACC met een hoge groei.
Of er wordt uitgegaan van een lage groei, maar dan wordt de risk free rate evenzo verwacht lager te zijn, en daarmee de WACC. De combinatie van een hoge WACC van 19,40% en een lage verwachte groei van 4% is disproportioneel.
In [land 4] geldt regelgevingvoor de TAB. Afschrijven is mogelijk gedurende de verwachte gebruiksduur van de (immateriële) activa.
The benefits of amortizing the values of the assets are added to the values determined hereafter.
11.760 6.809 18.569
73.643 226.527 300.170
(…)
Vraag 3: Bent u met ons van mening dat, bij een DCF-waardering waarbij de kasstromen nominaal worden voorspeld, het correct is om de kasstromen contant te maken met een disconteringsvoet die rekening houdt met de valuta waarin de kasstromen luiden?Antwoord:
Ja, dit is expliciet genoemd in IAS 36.54 en IAS 36.A18. Het is tevens genoemd in IAS 36.40 ten aanzien van de verwachte inflatie.
(…)
Europeopgenomen en elders uit het jaarverslag blijkt dat onder
Europemeerdere landen vallen met uiteenlopende functionele valuta. (…) Omdat voor
Europeslechts één disconteringsvoet wordt toegelicht, is hieruit af te leiden dat de verschillende disconteringsvoeten omgerekend moeten zijn in een disconteringsvoet voor [munteenheid 1] . Daaruit valt af te leiden dat de 13,1% voor [land 4] ook voor kasstromen in [munteenheid 1] is (…).”
(…)
Het blijkt (…) uit IFRS dat een toegelichte disconteringsvoet in de jaarrekening niet is bedoeld voor waarderingen en in principe ongeschikt is voor waarderingen, tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie.
(…)”
Zij acht het een ‘terugkerend patroon’ dat verklaringen en rapporten van getuigen en deskundigen zonder aanvullend bewijs door de rechtbank a priori als onvoldoende worden beschouwd om aan de verzwaarde bewijslast te voldoen. Volgens belanghebbende heeft de rechtbank daarmee ten onrechte een belangrijke categorie bewijsmiddelen uitgesloten.
- de economische crisis en de nasleep daarvan, met als gevolg dat gebruikers van tabaksproducten naar goedkopere artikelen overschakelden;
- intensieve concurrentie tussen de vier grote tabaksfabrikanten, met elk een ‘significante aanwezigheid’ op de [regio] markt;
- jaarlijks dalende volumes van verkoop van sigaretten;
- toenemende regulering vanuit de EU, waardoor de marketing voor het gebruik van tabaksproducten sterk aan banden is gelegd;
- de prijs die onder druk staat, omdat tabaksproducten duur zijn in [regio] , en
- een achterblijvende winstgevendheid in [regio] ten opzichte van andere regio’s, als gevolg van inefficiënties in de bedrijfsvoering.
- de opbouw van een centrale supply-chainorganisatie voor heel [regio] ( [D] );
- het centraliseren van merkontwikkeling en productinnovaties in een vennootschap in [land 1] , alsmede het aldaar opzetten van een centraal aangestuurd marketingapparaat, en
- het opheffen van verschillende functies in de eindmarkten om doublures tegen te gaan.
14.3.5.4. Belanghebbende acht het voorts niet bewezen dat de koper bereid zou zijn de verkoper (voor de helft) te laten delen in de – door de inspecteur op € 70.340.000 berekende – synergievoordelen, in de vorm van de invoerrechten die het [A] -concern zich bespaart door het verplaatsen van de productie naar [land 3] . En ook in dit verband acht belanghebbende het onzeker of de destijds bestaande [land 3] douanewetgeving ongewijzigd zou blijven. Belanghebbende betwist dat [A] zou hebben erkend dat met synergievoordelen rekening moet worden gehouden. Voorts wijst belanghebbende erop dat volgens haar vele – door haar nader genoemde – wetenschappelijke studies naar fusies en overnames hebben aangetoond dat M&A transacties in veel gevallen niet een waardevermeerderend, maar een waardevernietigend effect hebben voor de kopende partij.
- de inspecteur is bij de berekening van de synergievoordelen ten onrechte ervan uitgegaan dat deze over het gehele eerste en/of laatste jaar kunnen worden behaald;
- de inspecteur heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de effecten van de – in zijn ogen kennelijk aanwezige – synergievoordelen op het werkkapitaal van koper;
- de inspecteur heeft in zijn aanpassingen ten onrechte de ‘strike prices’ van de opties verhoogd, en
- belanghebbende betwist dat zij bij de waardering zou zijn uitgegaan van ‘end year
24.617
Object Waarde in [land 4] [munteenheid 3]
1.742.633,40
- er is geen rekening gehouden met synergievoordelen, zoals bestaande uit lagere invoerrechten, lagere productiekosten (loonkosten) en lagere vrachtkosten in [land 3] ;
- er is voor de bepaling van de netto-kasstromen gerekend met het Nederlandse vpb-tarief en niet met het lagere [land 3] tarief (24%) op het moment van overdracht;
- er is geen rekening gehouden met een Tax Amortisation Benefit (TAB), erin bestaande dat de koper kan afschrijven op de overgedragen immateriële activa (licenties), de verkoper daar belasting over moet betalen en daarvoor gecompenseerd wordt, en
- er is gerekend met een lage omzet- en winstgroei en een laag groeipercentage (minder dan de inflatie) in de restperiode, terwijl een hoge WACC is gehanteerd vanwege de inflatie.
14.4.13. De inspecteur wijst erop dat belanghebbende bij de waardering van de [land 3] licenties voor [land 3] doeleinden is uitgegaan van een hoge waardering door PwC en voor Nederlandse doeleinden van een lage waardering door ABN AMRO. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet verklaard waarom de (aanmerkelijk hogere) [land 3] waarderingen door PwC niet bepalend kunnen zijn voor de waarde van de overgedragen licenties. In dat verband heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende hem niet van voldoende gegevens heeft voorzien teneinde de ABN AMRO-waardering te kunnen beoordelen.
- bij de [land 3] rechten is sprake van een beperking in de tijd, terwijl de ondernemingen waarmee zij wordt vergeleken op eeuwigdurende cashflows zijn gebaseerd;
- bij de [land 3] waardering gaat het om licentierechten, terwijl bij de ondernemingen waarmee wordt vergeleken sprake is van volle eigendom van merken;
- de [land 3] transactie ziet op de overdracht van licentierechten voor één specifiek gebied, terwijl de ondernemingen waarmee wordt vergeleken integrale geconsolideerde tabaksmultinationals betreffen;
- bij de [land 3] waardering is sprake van een optiewaardering, terwijl bij de ondernemingen waarmee wordt vergeleken sprake zal zijn geweest van een DCF-waardering;
- bij de [land 3] rechten is er een royaltybetaling, bij de ondernemingen waarmee wordt vergeleken is dat niet het geval;
- bij de [land 3] rechten is geen sprake van productie, bij de ondernemingen waarmee wordt vergeleken is dat wel het geval;
- bij de [land 3] rechten is de distributie uitbesteed, bij de ondernemingen waarmee wordt vergeleken is dat een onderdeel van het geheel;
- bij de [land 3] rechten is er geen sprake van (doorbelaste) marketing uitgaven, bij de ondernemingen waarmee wordt vergeleken is dat wel het geval;
- bij de [land 3] rechten was de Last Twelve Month (LTM) EBIT niet compleet en is deze door extrapolatie benaderd. Bij de ondernemingen waarmee wordt vergeleken is dat niet het geval, en
- de omvang van de [land 3] rechten is significant beperkter dan die van de rechten van de ondernemingen waarmee wordt vergeleken.
14.4.21.4. De omstandigheid dat in de eerste jaren na overdracht van de [land 4] rechten door [bedrijfsnaam 57] verliezen zijn geleden, staat volgens de inspecteur niet aan het in aanmerking nemen van een TAB in de weg; wel wordt deze dan later geëffectueerd.
14.5.7.2. Voor zover het gaat om (a) het gestelde voor een langere periode dan de waarderingsperiode doorvoeren van de importheffingen en (b) het gestelde aanpassen van uitoefenprijzen van call opties [bedrijfsnaam 67] , heeft de inspecteur deze fouten betwist en aangegeven dat niet duidelijk is waarop de door Huygens gestelde financiële consequenties zijn gebaseerd. Weliswaar zijn dezelfde punten ook in het nader stuk van 30 december 2022 aan de orde gesteld, maar daarin is niet vermeld wat daarvan de financiële impact is en waar die op zouden zijn gebaseerd. Het Hof ziet in deze punten – gegeven ook een zekere ruwheid die aan een redelijke schatting onvermijdelijk verbonden is en gelet op de inspecteur ter beschikking staande aanknopingspunten voor zijn schatting – geen reden om daar, bij de beoordeling van de redelijkheid van de schatting, verder consequenties aan te verbinden. Naar het oordeel van het Hof is de eventuele invloed van evenvermelde punten op de redelijke schatting niet overtuigend aangetoond. Aan de overige twee in het nader stuk van 30 november 2022 vermelde “fouten” gaat het Hof eveneens voorbij, omdat deze fouten niet voldoende concreet zijn gerelateerd aan de onderbouwing van de inspecteur in de notitie Overige waarderingsgeschillen en omdat deze fouten (als gesteld) in het Huygens rapport niet nader zijn toegelicht en overigens ook niet zijn gekwantificeerd. Evenmin heeft belanghebbende door middel van de in het Huygens rapport en genoemd nader stuk vermelde fouten van de onjuistheid van de schatting van de inspecteur doen blijken. Ook hier geldt dat de eventuele invloed van evenvermelde punten op de redelijke schatting niet overtuigend is aangetoond.
15.Europees recht
De [F] -exit15.3.2.1. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de bijtelling [F] -exit in strijd is met Europees recht, in het bijzonder de vrijheid van vestiging, en (ook) op die grond niet kan worden gevolgd. Beperkingen om een overeenkomst te beëindigen vormen volgens belanghebbende een inbreuk op de vrijheid van vestiging. Belanghebbende baseert dit standpunt onder meer op van het arrest HvJ EU 18 juli 2013, C-261/11 (Commissie/ Denemarken ), EU:C:2013:480. Belanghebbende verwijst naar pt. 28 van deze beslissing, waarin het volgende is vermeld:
15.5. Oordeel Hof
16.Interne compensatie
Kamerstukken II2003/04, 29 251, nr. 3, p. 9.
17.Boeten
- The business and commercial reasons for and the expected benefits from the restructuring, including the role of synergies; and
- The options realistically available to the parties.
Hof: End Markets], which did not align to the historic royalty and management services fee arrangements that were in place prior to the centralised model.
In deze opinie is onder andere het volgende opgemerkt (weergave zonder voetnoten):
voetnoot 7: High Court 21 June 1991, nr 14267, NJ 1991/742], this is unlikely to be more than two years. lt is therefore probable that a finding of between one and two years would be upheld by a Dutch Court. However, due to the lack of precedent it is difficult to conclude with positive certainty on where the courts would settle in this range. Compensation for early termination should thus be limited to the damages suffered by [F] as a result of the early termination, which is unlikely to exceed the amount of profit it would have earned during the period from the termination date until the end of the two-year notice period.
voetnoot 16: At the time of termination of the licence only 17 people were lelt in [F] . Some of them will be made redundant resulting in around €3 million redundancy costs, some will continue in a regional support role hosted by another entity (…).]
Hof:Global Drive Brands] en internationale merkenrechten beëindigd bij [ [F] ]. Juridisch hadden de licenties een 3 maanden opzegtermijn en er is dus een 9 maanden additionele opzegging in acht genomen waarbij de volledige licentieopbrengsten ten goede zijn gekomen aan [F] .
6. Straftoemeting
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 5, blz. 46-47) onjuist uitgelegd. Volgens belanghebbende blijkt uit deze wetsgeschiedenis dat de staatssecretaris niet in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet, maar in zijn hoedanigheid van medewetgever aan de Tweede Kamer heeft toegezegd, in reactie op vragen van leden van de Tweede Kamer, dat in geval van een verrekenprijscorrectie geen vergrijpboete zal worden opgelegd bij grove schuld of voorwaardelijk opzet. Tijdens de zitting van 5 december 2024 heeft belanghebbende haar standpunt nader toegelicht. De omstandigheid dat de toezegging van de staatssecretaris niet door hem is vastgelegd in het Verrekenprijsbesluit (zoals door hem in de Tweede Kamer was aangekondigd) maakt voor belanghebbende geen verschil. Die omstandigheid brengt namelijk geen wijziging in haar standpunt dat bij de uitleg van de wet rekening moet worden gehouden met deze duidelijke wetsgeschiedenis en dat om die reden in geval van verrekenprijscorrecties zoals de onderhavige alleen een vergrijpboete kan worden opgelegd als sprake is van een zuiver opzettelijke handeling. Daarbij verdient opmerking dat uit het arrest Barberá e.a. van het EHRM (EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83,
Barberá, Messegué and Jabardo vs Spain) en de rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, BNB 2022/68) volgt dat de bestanddelen van een beboetbaar feit alleen kunnen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit betekent in het onderhavige geval dat de inspecteur moet doen blijken dat het aan zuiver opzet van belanghebbende is te wijten dat de belastingaanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld, aldus belanghebbende.
Kamerstukken II1993/94, 23 470, nr. 3, blz. 43 en
Kamerstukken II1997/98, 24 800, nr. 154b, blz. 1-2), volgt naar de mening van belanghebbende dat de opzet van de belastingplichtige moet zijn gericht op het doen van een onjuiste aangifte zodat minder belasting wordt betaald dan volgens de wet verschuldigd is. Belanghebbende concludeert daaruit dat van opzet geen sprake kan zijn (althans dat de boetegrondslag ontbreekt) indien voorafgaand aan de indiening van de desbetreffende aangifte volledige openheid van zaken is gegeven. Voor een nadere onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende verwezen naar de door haar bij haar beroepschrift in eerste aanleg overgelegde (op de correctie [F] -exit toegespitste), onder 17.1.22 vermelde opinie van Bavinck en Van Amersfoort van april 2020. Daarnaast heeft belanghebbende in dit verband onder meer gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:270, BNB 2020/58. Uit dit arrest leidt belanghebbende af dat pas sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet indien de belastingplichtige de kans dat zij te weinig belasting heeft betaald, bewust heeft aanvaard.
Kamerstukken II2001/02, 28 034, nr. 5, blz. 46-47):
voetnoot 2: Dit houdt niet in dat afwijkingen van het in dit besluit geformuleerde beleid automatisch tot het opleggen van een boete zullen leiden.]”
Kamerstukken II1993/94, 23 470, nr. 3, blz. 43-44):
18.Conclusie
19.Kosten
20.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.