ECLI:NL:HR:2009:BH1909
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toepassing verschoningsrecht getuige met lopende ontnemingsprocedure in strafzaak tegen ander
In deze zaak stond centraal of een getuige die in zijn eigen strafzaak onherroepelijk is veroordeeld, maar tegen wie nog een ontnemingsprocedure loopt, een beroep kan doen op het verschoningsrecht zoals bedoeld in art. 219 Sv Pro. De verdediging wilde deze getuigen horen om hun verklaringen over de rol van verdachte in de zaak te verkrijgen. Het hof had het verzoek tot het horen van deze getuigen afgewezen omdat zij reeds waren gehoord en omdat zij zich mogelijk konden beroepen op het verschoningsrecht vanwege de lopende ontnemingsprocedure.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat het verschoningsrecht niet van toepassing zou zijn in deze situatie. Gelet op art. 27.3 Sv, art. 511d Sv en art. 290 Sv Pro is art. 219 Sv Pro ook van toepassing wanneer een veroordeelde getuigt in een strafzaak tegen een ander terwijl tegen hem nog een ontnemingsvordering loopt. De getuige mag zich dan onthouden van het geven van antwoorden die nadelig kunnen zijn in de ontnemingszaak.
Het beroep van de verdachte werd verworpen omdat de Hoge Raad het standpunt van de verdediging niet volgde. De overige middelen werden eveneens verworpen zonder nadere motivering omdat zij niet tot cassatie konden leiden. Het arrest bevestigt de reikwijdte van het verschoningsrecht in de context van lopende ontnemingsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het verschoningsrecht geldt voor getuigen met lopende ontnemingsprocedures en verwerpt het cassatieberoep.