ECLI:NL:PHR:2010:BN7090
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigenverzoek bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem veroordeelde bij arrest van 28 januari 2010 verplicht een bedrag van €192.350,41 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging verzocht om het horen van meerdere getuigen om aan te tonen dat het voordeel lager was dan door het Openbaar Ministerie gesteld. Dit verzoek werd door het hof afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van noodzaak.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, stellende dat het hof terecht de maatstaf van art. 418 lid 3 Sv Pro heeft toegepast en dat het verzoek onvoldoende concreet was. De Hoge Raad overwoog dat de verdediging niet voldoende had onderbouwd waarom het horen van de getuigen noodzakelijk was en dat het hof niet verplicht was ruimer te motiveren.
Voorts werd bevestigd dat getuigen die zelf verdachte zijn in een ontnemingszaak zich kunnen beroepen op het verschoningsrecht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht was uitgegaan van de factuurwaarde bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dat het cassatiemiddel faalt wegens onvoldoende concreetheid in het verzoek. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot het horen van getuigen wordt bevestigd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.