ECLI:NL:HR:2009:BH1955
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling energie-investeringsaftrek bij opschortende voorwaarde bouwvergunning
Belanghebbende vroeg een verklaring voor energie-investeringsaftrek aan na het aangaan van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde van een onherroepelijke bouwvergunning. De Minister wees dit verzoek af omdat de melding niet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting was gedaan.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de koopovereenkomst op 23 december 2003 tot stand kwam en dat de verplichting toen is aangegaan, ondanks de opschortende voorwaarde. Belanghebbende stelde dat de overeenkomst pas definitief was na de onherroepelijke vergunning, maar dit werd verworpen omdat hij geen invloed had op het verkrijgen van de vergunning.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip 'investeren' in artikel 3.43 Wet IB 2001 juist is uitgelegd door het College en verwierp de cassatieklachten. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de energie-investeringsaftrek wordt bevestigd.