ECLI:NL:CBB:2005:AU7837
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over tijdigheid energie-investeringsaftrek bij opschortende voorwaarde bouwvergunning
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om een verklaring voor energie-investeringsaftrek (EIA) omdat hij de investering niet tijdig had gemeld. De kern van het geschil betrof het moment waarop de investeringsverplichting was aangegaan, mede door een opschortende voorwaarde in de opdrachtbevestiging die verwees naar de onherroepelijkheid van een bouwvergunning.
Het College stelde vast dat de koopovereenkomst op 23 december 2003 tot stand kwam door ondertekening van de opdrachtbevestiging, waarbij beide partijen zich definitief aan hun verplichtingen verbonden. De opschortende voorwaarde veranderde hier niets aan, omdat appellant geen eenzijdige invloed had op het verkrijgen van de bouwvergunning.
Verweerder had het verzoek afgewezen omdat de melding van de investering pas op 29 april 2004 plaatsvond, terwijl de termijn van drie maanden na het aangaan van de verplichtingen (23 december 2003) was verstreken. Het College bevestigde dat de termijn correct was vastgesteld en dat verweerder bevoegd was te oordelen over de tijdigheid van de melding.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij het College geen aanleiding zag om het begrip 'verplichting' anders te interpreteren of om de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek wegens strijd met het legaliteitsbeginsel buiten toepassing te verklaren. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de energie-investeringsaftrek werd ongegrond verklaard omdat de melding niet binnen de wettelijke termijn was gedaan.