ECLI:NL:PHR:2013:607
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing herinvesteringsreserve bij belangwijziging in vennootschap met onroerend goed
De zaak betreft de toepassing van art. 15e (vanaf 2007: 12a) Wet Vpb over het verval van een herinvesteringsreserve (HIR) bij wijziging van het belang in het HIR-lichaam. De belanghebbende had in 2003 onroerend goed vervreemd en een HIR gevormd. In 2004 vonden op één dag opeenvolgende handelingen plaats: aankoop van appartementsrechten, verkoop van aandelen in de belanghebbende en levering van de appartementsrechten.
De kern van het geschil was of de HIR in 2004 tot de fiscale winst moest worden gerekend, en op welk moment de HIR afgeboekt kon worden: bij het investeringsmoment (aangaan verplichtingen) of bij het activeringsmoment (economisch eigendom). De Rechtbank achtte aannemelijk dat het materiële belang reeds bij de overnemer lag bij herinvestering, en wees het beroep af. Het Hof oordeelde dat de HIR niet hoefde te worden toegevoegd omdat de belangwijziging pas na de herinvestering plaatsvond.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof het begrip 'herinvesteren' verkeerd had uitgelegd en dat de HIR direct voorafgaand aan de belangwijziging aan de winst moet worden toegevoegd. Advocaat-Generaal Wattel concludeerde dat de HIR pas kan worden afgeboekt als aanschaffings- of voortbrengingskosten zijn geactiveerd, wat pas het geval is bij het verkrijgen van de economische eigendom. De Hoge Raad volgde deze redenering en verklaarde het cassatieberoep gegrond, met zelf afdoening.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en bepaalt dat de herinvesteringsreserve direct voorafgaand aan de belangwijziging aan de fiscale winst moet worden toegevoegd.