ECLI:NL:HR:2009:BH2787
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs voor meineed als getuige
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 5 oktober 2005 te Arnhem als getuige in een strafzaak opzettelijk valselijk had verklaard onder ede. Het hof had hem hiervoor veroordeeld. De Hoge Raad oordeelt dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk onder ede de gehele waarheid had moeten spreken, zoals wettelijk vereist voor meineed.
De bewezenverklaring steunt op verklaringen van de verdachte zelf, proces-verbaal van meineed en politieverklaringen waarin verdachte bekent niet de waarheid te hebben gesproken. Desondanks acht de Hoge Raad deze bewijsmiddelen onvoldoende om het vereiste wettelijk voorschrift van de eedaflegging af te leiden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor het tenlastegelegde feit en de strafoplegging in zoverre en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem voor hernieuwde behandeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren op 7 april 2009.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende bewijs van meineed.