ECLI:NL:PHR:2012:BU4004
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor mensenhandel met uitbuiting van kwetsbare prostituee
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte zich schuldig had gemaakt aan mensenhandel door het uitbuiten van een jonge vrouw die in de prostitutie werkte. Het hof had vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten het slachtoffer, die zich in een kwetsbare en afhankelijke positie bevond, door misleiding, misbruik van feitelijk overwicht en dreiging met geweld hadden bewogen en gedwongen tot prostitutie. Het hof oordeelde dat het slachtoffer geen bewuste, vrijwillige keuze had kunnen maken en dat sprake was van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr.
De Hoge Raad toetste de uitleg van het hof en de motivering van het oordeel over de uitbuitingssituatie en vond deze niet onjuist of onbegrijpelijk. Ook verwierp de Hoge Raad het verweer dat het slachtoffer vrijwillig in de prostitutie zou zijn gegaan en dat er geen sprake zou zijn van dwang of misbruik. De Hoge Raad bevestigde dat het medenemen van het slachtoffer naar België met het oogmerk haar daar tot prostitutie te brengen onder mensenhandel valt.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de bewijsvoering, waaronder verklaringen van getuigen en het gebruik van verklaringen die niet in aanwezigheid van de verdediging waren afgelegd. Het hof mocht deze verklaringen gebruiken en de afwijzing van het verzoek om nader verhoor was gemotiveerd. Tot slot bevestigde de Hoge Raad de toewijzing van schadevergoeding aan het slachtoffer, waarbij het hof een deel van de vordering toewijst op basis van een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de gemaakte kosten, en het meerdere niet-ontvankelijk verklaart. De beroepen van verdachte en het slachtoffer werden verworpen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk, en tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer wegens mensenhandel met uitbuiting.