ECLI:NL:HR:2009:BH3290
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over stakingsvrijstelling bij uittreden uit maatschap advocaat
Belanghebbende was advocaat en lid van een maatschap met drie anderen, elk voor 25%. In 1995 kochten zij gezamenlijk panden die tot het ondernemingsvermogen werden gerekend. Belanghebbende trad per 31 maart 2000 uit de maatschap en realiseerde daarbij stille reserves in de panden. Hij zette zijn praktijk voort onder een kostenmaatschap met de overgebleven maten, waarbij huisvesting en ondersteuning werden gegarandeerd.
De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op die na bezwaar en beroep door het hof werd gehandhaafd. Het hof oordeelde dat geen sprake was van gehele staking van de onderneming en dat de stakingsvrijstelling niet van toepassing was omdat belanghebbende zijn praktijk voortzette. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel omdat het hof ten onrechte oordeelde dat de voortzetting van de praktijk onder gewijzigde omstandigheden de stakingsvrijstelling uitsloot.
De Hoge Raad stelt dat bij uittreden uit een maatschap en vervreemding van het aandeel in het ondernemingsvermogen sprake is van staking van (een deel van) de onderneming waarop de stakingsfaciliteiten van toepassing zijn, ook indien de praktijk wordt voortgezet in een kostenmaatschap. De aanslag wordt verminderd en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest, vermindert de aanslag en past de stakingsvrijstelling toe bij gedeeltelijke staking van de onderneming.