ECLI:NL:HR:2009:BH8808
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De zaak betrof een gevangenisstraf die door het hof was opgelegd. De advocaat-generaal concludeerde dat de straf verminderd moest worden, terwijl het overige beroep verworpen moest worden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op 68 maanden in plaats van de eerder opgelegde 74 maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Een belangrijk onderdeel van de uitspraak betrof het zevende middel, waarin werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad oordeelde dat deze termijn in de cassatiefase was overschreden, mede omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond. Dit leidde tot de vermindering van de straf.
De Hoge Raad besloot het arrest te wijzen met deze strafvermindering en verwierp het beroep voor het overige, zonder ambtshalve vernietiging van het arrest.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 74 naar 68 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.