Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof het verweer inhoudend dat verdachte bij het feit dat gekwalificeerd is als hiervoor onder 1 vermeld, geen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] ten onrechte heeft verworpen. Het hof heeft overwogen dat uit een verklaring die [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd blijkt dat [medeverdachte 4] , in aanwezigheid van verdachte, tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij op die persoon moest schieten, op zijn borst of bovenlichaam. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt volgens het middel niet dat [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [betrokkene 1] ‘op zijn borst of bovenlichaam’ moest schieten, maar dat [betrokkene 1] ‘hem voor z’n flikker moest schieten, maar niet dood’, zodat het hof aan de verklaring van [betrokkene 1] een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven dan de getuige daaraan heeft willen geven.
[verdachte](…) verklaart:
[betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] , verklaart
"Toen niet, toen was het niet de bedoeling. "
"Te verwonden ja."
In zaak A onder 1 primair en onder 2:
[slachtoffer] :
[betrokkene 1] :
[betrokkene 1] :
[betrokkene 1] :
[betrokkene 1] ,afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2014. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[verdachte]:
drive by,gif etc, zodat zij het idee kregen dat ik professioneel was. [medeverdachte 4] heeft mij dit allemaal in de auto verteld. Halverwege dat gesprek was de batterij leeg en begon dat apparaat te piepen. Ik ben toen naar buiten gelopen en heb gezegd dat mijn pieper ging. Na dit tweede gesprek verstreek er wat tijd. Vervolgens gaven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan dat het probleem [slachtoffer] nog niet was opgelost. Ik heb dat gehoord van [medeverdachte 2] bij zijn kantoor, toen wij daar buiten liepen. [medeverdachte 4] besloot toen om [betrokkene 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1] ) in te schakelen voor deze klus. [betrokkene 1] was wel in voor deze klus. Hij zei dat hij wel dingen had gedaan die gekker waren. Er moest weer een plan bedacht worden. [medeverdachte 4] had van [medeverdachte 1] of van [medeverdachte 2] foto’s en adressen gekregen van [slachtoffer] . [betrokkene 1] moest het huis van [slachtoffer] zien. [medeverdachte 4] en ik zijn met [betrokkene 1] naar dat huis in Gouda gereden. [medeverdachte 4] heeft het huis daar aangewezen. Ik moest van [medeverdachte 4] een auto regelen voor [betrokkene 1] . Het vuurwarpen was van [medeverdachte 4] . Het wapen lag bij mij thuis. Ik had het op zolder liggen. Ik moest het van [medeverdachte 4] bewaren. Ik heb in het dossier een foto gezien en dit is inderdaad het wapen waarmee de aanslag op [slachtoffer] is gepleegd. Ik heb dit wapen thuis gehad en [medeverdachte 4] heeft het bij mij thuis aan [betrokkene 1] overhandigd.
[verdachte] :
IBN-CODEOMSCHRIJVING GOEDEREN
[medeverdachte 4]:
NJ2003/55 m.nt. Buruma en memoreert enkele arresten waarin gecasseerd werd omdat de vastgestelde feiten en omstandigheden de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet niet konden dragen (HR 8 januari 2013,
NJ2013/112; HR 6 september 2006,
NJ2006/50; HR 30 oktober 2012,
NJ2013/111 m.nt. Keijzer). Vervolgens wordt gesteld dat het hof in deze zaak voorwaardelijk opzet heeft aangenomen ‘aangezien uit de uitlating van [betrokkene 1] op 4 september 2012 bij de rechter-commissaris zou blijken dat [medeverdachte 4] in aanwezigheid van verdachte tegen [betrokkene 1] zou hebben gezegd dat hij ‘op die persoon moet schieten, op zijn bovenlichaam of borst’ hetgeen de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel oplevert’.
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op het met betrekking tot de ten laste gelegde (medeplegen van) poging tot afpersing van [medeverdachte 1] uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudend dat medeverdachte [betrokkene 6] door het hof is vrijgesproken en niet is komen vast te staan dat het strookje met de door verdachte geschreven tekst betrekking heeft op het ten laste gelegde feit en niet vast is komen te staan of dit strookje met tekst onderdeel uitmaakte van de brief die aan [medeverdachte 1] is getoond, terwijl het hof dit wel voor het bewijs heeft gebezigd, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
“Blijf rustig noem mijn naam, laat mijn brief zien, niet in zijn handen geven, na gebruik brief verbranden! Dit strookje afknippen voor dat je zijn kant op gaat. Hij is zo bang als een wezel die zeker betaalt als je het goed doet deed hij bij mij ook altijd haha Succes maat we doen Sam/Sam. ”geschreven. Ik heb die brief aan [betrokkene 7] gegeven. De brief had niets met [medeverdachte 1] te maken, maar met [betrokkene 8] . [betrokkene 8] was verdachte in het Yellowstone I dossier. Hij was degene die met de veegwagen in Utrecht tegen de auto van [medeverdachte 4] aan is gereden. [betrokkene 8] was mij nog geld verschuldigd. Omdat ik gedetineerd zat, had ik mijn geld nodig. Ik weet niet hoe deze brief bij [betrokkene 6] terecht is gekomen. Dat moet via [betrokkene 7] zijn gebeurd. Ik heb geschreven dat hij, [betrokkene 8] dus, zo bang was als een wezel. Dat heeft te maken met het feit dat [betrokkene 8] een beer van een vent is. Ik wilde daarmee duidelijk maken dat [betrokkene 7] niet bang hoefde te zijn.
In zaak C onder 1 en 2:
“Blijf rustig noem mijn naam, laat mijn brief zien, niet in zijn handen geven, na gebruik brief verbranden! Dit strookje afknippen voor dat je zijn kant op gaat. Hij is zo bang als een wezel die zeker betaalt als je het goeddoet deed hij bij mij ook altijd haha Succes maat we doen Sam/Sam.” geschreven. Ik heb die brief aan [betrokkene 7] gegeven. Het strookje maakte onderdeel uit van een brief. Die brief heb ik ook geschreven. In die brief stond een stukje over het geld en uitleg over de inhoud van de brief. De aanwijzingen die ik in het strookje heb gegeven, te weten dat hij rustig moest blijven en dat we sam/sam zouden doen waren alleen van belang voor [betrokkene 7] .
4.3.2 Nadere bewijsmotivering ’,zoals weergegeven op pagina 5 en 6 in het vonnis waarvan beroep van 7 november 2014 en neemt ook deze over.”
‘die zeker betaalt ’en
‘we doen het sam/sam’.Het strookje en de daarop beschreven werkwijze duiden onmiskenbaar op een wijze van incasso die het daglicht niet kan verdragen. Verdachte heeft dus kennelijk de moeite en de strafrechtelijke risico’s willen nemen om iemand opdracht te geven tot een ‘incasso’ op deze wijze. Het is dan niet geloofwaardig dat hij niet geïnteresseerd zou zijn geweest in de afwikkeling daarvan. De rechtbank acht bovendien ongeloofwaardig dat dit soort opdrachten met de daarbij behorende strafrechtelijke risico’s, worden opgetuigd voor het relatief geringe bedrag van € 2.000,-, dat dan ook nog ‘sam/sam’ gedeeld zou worden.
NJ2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2 en 3.8.4). Het hof heeft het centrale aspect van het voerde verweer (het briefje zag niet op [medeverdachte 1] ) expliciet verworpen; de onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring die de verdachte in hoger beroep heeft afgelegd verduidelijkt naar het mij voorkomt toereikend de betekenis van het woord samsam. Naar het mij voorkomt heeft het hof daarmee een toereikende reactie op het vrijspraakverweer gegeven.
NJ2016/411 m.nt. Rozemond, rov. 3.2). Daarbij kan voorts worden aangetekend dat de verdachte ook in de gang van zaken waar het middel van uit gaat, gegeven de contacten die hij met [betrokkene 7] over de voorgenomen afpersing heeft gelegd, hoogstwaarschijnlijk de hand heeft gehad in het op peil brengen van de kennis van [betrokkene 7] over Yellowstone. Een enigszins aannemelijk alternatief scenario waarin [betrokkene 7] zich de kennis over Yellowstone zelfstandig heeft eigengemaakt en op eigen houtje [medeverdachte 1] zou hebben proberen af te persen is met het opperen van deze mogelijkheid nog niet geschetst.
derdemiddel klaagt dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie, naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden.