Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaringen en bewijsvoering
24juni 2013 tot en met 30 juni 2013 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
eenvervoermiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
Medeplegen
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
,waardoor het oordeel van het hof ook in die zin onvoldoende is gemotiveerd.
HOOFDSTUK 1: DE ROL VAN CLIËNT
“Het was altijd één van de drie waar ik mee sprak. Ze noemden elkaar ook altijd ‘ [bijnaam betrokkene 1] ‘.”(1310301555.V05, p. 3).
“Ja, als ik iets door moest geven aan [betrokkene 4] . Met de laatste zaak, die wij besproken hadden, toen had ik met hem (MG: [medeverdachte] ) het meeste contact.”(1310310913.V05, p. 3).
“Eigenlijk hetzelfde. Ik kreeg de vraag of ik het kon regelen”.(1310310913.V05, p. 3).
“Ja, dat weet ik niet precies. Ik kreeg van hun twee of drie informatie die ik dan moest doorgeven.”(1310310913.V05,p. 3).
“Hier waren ze gestrest, dus volgens mij liet [betrokkene 1] dit aan een ander over. Volgens mij [verdachte] .”(1310311145.V05, p. 5 en 6). Deze passage is echter niet betrouwbaar en bruikbaar voor bewijs. [getuige 1] heeft immers even daarvoor juist verklaard dat [betrokkene 1] het aan [bijnaam medeverdachte] overliet.
“ [betrokkene 1] was volgens mij toen een tijdje weg, dus één van die andere twee. Ik denk [bijnaam medeverdachte] .”(1310311145.V05, p. 5). Bovendien is het niet logisch. [betrokkene 1] werd door iedereen de […] genoemd, niet cliënt, zo blijkt uit het dossier.
“Ik sprak voornamelijk met [betrokkene 1] , hij was mijn contactpersoon. (...) U vraagt mij wat [verdachte] zei als wij daar met elkaar aan het praten waren over containernummers. Ik heb niet echt gesprekken met [verdachte] gehad. (...) U vraagt mij of, als ik [betrokkene 1] sprak, [verdachte] er dan altijd bij was. Niet altijd, wat is erbij? Ik zat daar met [betrokkene 1] en dan kwam hij misschien net binnen.”(RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 3).
“U vraagt mij of ik [verdachte] en [medeverdachte] wel heb gezien, rondom [betrokkene 1] , maar dat zij mij geen opdrachten gaven en dat ik ook niet heb gehoord dat [betrokkene 1] aan hen opdrachten gaf. Nee, niet specifiek dat hij zei: “jij moet dit doen, jij moet dat doen.” Ik heb hen wel eens gezien, dat ze een drankje zaten te doen. Ik had geen contact met hen over werkzaamheden.”(RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 6).
“In het café zijn twee of drie stoelen, het was niet één meeting. Hij was wel regelmatig met [betrokkene 1] . U vraagt mij of hij zich bemoeide met het gesprek dat ik met [betrokkene 1] had over containers. Nee, niet direct. Ik had echt alleen met [betrokkene 1] te maken. [medeverdachte] en [verdachte] waren er soms, of regelmatig bij, maar de gesprekspartner of met wie ik te maken had was [betrokkene 1] en [betrokkene 3] .”(RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 8).
“U vraagt mij of [verdachte] mij ooit opdrachten heeft gegeven in relatie tot containers, in relatie tot verdovende middelen. Nee.”(RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 9).
“U houdt mij voor dat in dit dossier het hele gebeuren een opdrachtgever kent. U vraagt mij of ik dat ook zo zie. Ja, dat was [betrokkene 1] .”(RHC-verhoor van 29 maart 2018, randnummer 3).
“Ik heb [verdachte] in café [B] gezien, U vraagt mij hoe dat er uitzag. Hij zat te Playstationen met die jongens daar. Ik was er, [betrokkene 1] was er, [betrokkene 6] was er en [verdachte] was er. Die andere ken ik niet. (...) U vraagt mij of hij dan iedere keer aan het Playstationen, Ja, wat kun je doen in een café. Kaarten, gokken. (...) Ik beschouwde hen als een vriendengroep, U vraagt mij, of als ik daar was, en [betrokkene 1] ook, of [verdachte] daar dan ook was. Af en toe.”(RHC-verhoor 29 maart 2018, randnummer 7).
U vraagt of ik van [verdachte] ooit een opdracht heb gekregen in het kader van verdovende middelen en pasjes regelen. Nee, dat was [betrokkene 1] . U vraagt mij of, als ik met [betrokkene 1] sprak, [verdachte] zich daar ooit mee heeft bemoeid. Nee, maar soms was hij er wel bij. U vraagt mij of hij inbreng in die gesprekken had. Ik weet het niet meer, maar volgens mij niet (...) U vraagt mij of ik ooit heb bemerkt of [betrokkene 1] opdrachten aan [verdachte] gaf. Geen idee, ik heb het nooit gehoord.”(RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 8).
“U vraagt mij of ik [verdachte] ken. Ja, wij hebben op een dubbelcel gezeten. Hij kwam ook wel eens in het café. U vraagt mij of ik [betrokkene 1] ken. Ja, die ken ik ook nog wel. Hij kwam ook wel eens in het café. Café [D] . U vraagt mij in welke periode mijn café door [verdachte] werd bezocht. 7 of 6 jaar geleden. Hij bezocht het café af en toe. U vraagt mij met wie hij het café bezocht. Hij kwam alleen of met een paar maatjes. [betrokkene 1] heeft altijd wel wat aanhangels, die met [betrokkene 1] meeliepen.”(RHC-verhoor 28 augustus 2018, randnummer 7).
“U vraagt mij of [verdachte] vriendschappelijke of zakelijke bijeenkomsten had. Niet zakelijk. [verdachte] had volgens mij niets zakelijks te bespreken.”(RHC-verhoor 28 augustus 2018, randnummer 8).
“en bruikbaar”acht.
“opgeworpen stelling”dat [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring juist wel wordt ondersteund door ander, onafhankelijk bewijs, zoals de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] waaruit blijkt dat de verdachte geen organiserende rol heeft gehad. Het middel faalt in zoverre.
.
geheleinhoud van de verklaringen van [getuige 1] steun vindt in andere bewijsmiddelen. Ik meen dat deze lezing geen recht doet aan de overweging van het hof. Het hof heeft met zijn overweging – niet onbegrijpelijk – tot uitdrukking gebracht dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1] niet onbetrouwbaar zijn, nu deze
grotendeelssteun vinden in andere bewijsmiddelen. Het middel kan derhalve ook in zoverre niet slagen.
en dat er om die redensprake is van inwisselbare rollen”. Anders dan de steller van het middel, begrijp ik dat het hof de inwisselbaarheid van de rollen heeft afgeleid uit (i) de omstandigheid dat [getuige 1] in café [B] wordt aangesproken door “de drie”, met de vraag of hij ze met de koelie ( [betrokkene 3] ) in contact kon brengen. [betrokkene 3] gaat vervolgens met [getuige 1] mee naar [a-straat] , waar zij “die drie” weer spreken, (ii) de omstandigheid dat in de auto van [getuige 1] papieren zijn aangetroffen die hij van [betrokkene 3] had gekregen en moest doorgeven aan één van de drie en (iii) de omstandigheid dat wanneer de zaak van 30 juni 2013 op [tv-zender] bekend is geworden, [getuige 1] [betrokkene 1] belt en later over dit getapte gesprek verklaart dat [betrokkene 1] zegt dat 'mattie' bij hem was en dat [getuige 1] denkt dat met 'mattie' [verdachte] of die andere bedoeld wordt, omdat ze altijd met zijn drieën zijn. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag en faalt daarom ook in zoverre.
.Dat [getuige 1] niet zou weten met wie hij sprak en dat hij niet precies wist wat de taak was van de verdachte zoals hij – volgens de steller van het middel – daadwerkelijk heeft verklaard en welke verklaringen het hof – wederom volgens de steller van het middel – ten onrechte zou hebben weggelaten uit de gebezigde bewijsmiddelen, maakt dat niet anders, omdat het hof nergens heeft vastgesteld, noch voor het bewijs van belang heeft geacht dat de verdachte daadwerkelijk met [getuige 1] heeft gesproken, maar slechts heeft overwogen dat en waarom sprake was van inwisselbare rollen van “de drie”.
5.Het derde middel
“heeft opgehaald”, “de overgebleven helft opgehaald”en
“op de lijst schrijven”.Het hof heeft hiermee – ook zonder nadere motivering – kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat de verdachte [10] betrokken was bij het uithalen van verdovende middelen op het haventerrein. Datzelfde geldt voor de betekenis van de door de verdachte gebezigde woorden
“Broer je kan gewoon gaan hoor… Wij komen sowieso daarheen”(onder het kopje “Medeplegen” (zie randnr. 2.3). Aan het oordeel van het hof kan voorts evenmin afdoen dat het hof niet heeft gemotiveerd dat de opmerking van [betrokkene 2] over beweerdelijke uithalers dient te worden opgevat als een advies aan de verdachte om een andere uithaler te sturen. Het advies wordt immers gegeven in een OVC-gesprek waaraan [betrokkene 1] en de verdachte, zijnde twee personen van het driemanschap waarvan volgens het hof de rollen inwisselbaar zijn, deelnemen. Daaraan kan ten slotte evenmin afdoen dat de gedragingen van de verdachte eenmalig zouden hebben plaatsgevonden en dat uit een “eenmalige gedraging (…) niet een aansturende rol in zijn algemeenheid (kan) worden afgeleid”
,reeds omdat de steller van het middel wijst op gedragingen die op verschillende momenten hebben plaatsgevonden en er derhalve (ook) in zijn ogen geen sprake is van een eenmalige gedraging.
6.Het vierde, vijfde, zesde, zevende en het achtste middel
NJ2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413, m.nt. N. Rozemond [11] heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft hiervoor geen algemene regels gegeven, maar tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaft door het formuleren van aandachtspunten. De rechter kan bij de vorming van zijn oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal, wil medeplegen van een delict niettemin kunnen worden aangenomen, moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, dan dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. [12] Het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling hoeft het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan. [13] Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen.
“weer andere gedragingen” zijn en het aantal gedragingen per feit ook verschilt. Het hof heeft volgens hem onder deze omstandigheden niet tot het oordeel kunnen komen dat sprake is geweest van een intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan de ten laste gelegde feiten. Daarvoor moet de verdachte volgens de steller van het middel zelf een organiserende of aansturende rol hebben gehad (intellectuele bijdrage) of daadwerkelijk gedragingen hebben verricht waarmee de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht (materiële bijdrage). Bij dit laatste (de materiële bijdrage) valt volgens hem “enkel te denken aan gedragingen die daadwerkelijk maken dat verdovende middelen binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht. Zoals het betreden van het haventerrein met als doel om verdovende middelen uit containers te halen en deze van het haventerrein te vervoeren”.
doorgeven informatie– de verdachte is één van de drie mannen van wie [getuige 1] telkens informatie kreeg om door te geven aan de chauffeur die de uithalers op het haventerrein bracht en de container met drugs naar buiten reed, de verdachte evalueerde op 25 mei 2013 met [betrokkene 1] de actie van de dag ervoor en zei tegen [betrokkene 1] dat een container leeg is en er wellicht een zender in zit, de verdachte was op 5 juni 2013 omstreeks 21.30 – 22.00u aanwezig bij een bijeenkomst in [B] in [plaats] waarbij ook [betrokkene 1] , [getuige 1] , [betrokkene 3] en [medeverdachte] aanwezig waren en de verdachte reed in de nacht van 6 juni 2013 naar [plaats] om aldaar een Volkswagen Caddy op te halen die in de daaropvolgende nacht gebruikt is bij het betreden van het [C] terrein;
achtervang buiten het haventerrein tijdens het uithalen– de verdachte heeft, nadat alles misging als gevolg van optreden van de douane, “op de lijst geschreven” en “de overgebleven helft opgehaald”, hij bevond zich op 7 juni 2013 tussen 03.27 en 04.07u in het havengebied, op 29 juni 2013 werd de verdachte gebeld met het verzoek de weg uit te leggen aan iemand “die er vanavond in gaat voor de andere kant en die de weg niet kent” en op diezelfde dag verklaarde de verdachte dat hij “ons personeel” gaat “wegbrengen en afzetten”, op 30 juni 2013 om 00.45u werd de verdachte samen met [medeverdachte] gecontroleerd op [b-straat] waarbij in het voertuig vijf doosjes van Nokia telefoons werden aangetroffen, op 30 juni 2013 rond 7.30u bevond de verdachte zich in, dan wel zeer nabij “de zone van verhoogde opsporingsactiviteit” en had hij contact met [betrokkene 1] over onder meer de uithalers die de klos zijn, dat iedereen achter hen aanzit en een auto die de kant van de douane oprijdt, dat er twee douanes en een politiebusje rijden, maar dat geen snelle auto achter hen aanrijdt;
Verzorging bedrijfsmiddelen– de verdachte is in de nacht van 5 op 6 juni 2013 naar [plaats] gereden om aldaar een Volkswagen Caddy op te halen die in de daaropvolgende nacht is gebruikt bij het betreden van het [C] terrein, op 9 juni 2013 vroeg [betrokkene 1] aan de verdachte om naar de telefoons (één op één telefoons die tijdens het uithalen worden gebruikt) te gaan, over de telefoons werd die avond en nacht vaker gebeld tussen [betrokkene 1] en de verdachte, [betrokkene 1] vroeg de verdachte verder een trekkabel te halen en twee jerrycans met benzine, zodat zij niet een benzinestation op hoefden gaan met al die camera’s, op 29 juni 2013 vroeg [betrokkene 1] aan de verdachte oranje hesjes te kopen, welke die nacht daadwerkelijk zijn gedragen door uithalers, op 30 juni 2013 om 00.45u werd de verdachte samen met [medeverdachte] gecontroleerd op [b-straat] waarbij in het voertuig vijf doosjes van Nokia telefoons werden aangetroffen, terwijl in de later aangehouden Seat Leon een Nokia telefoon lag waarvan het imei-nummer overeenstemt met het imei-nummer vermeld op een van die telefoondoosjes;
eigen perceptie van de verdachte dat gehandeld wordt in teamverband– op 6 juni 2013 belde de verdachte [betrokkene 1] en vroeg hem: “Het is tijd, waar ga je naartoe?”, waarop [betrokkene 1] vroeg: “Wat voor tijd is het man?”, waarop de verdachte antwoordde: “Tijd van de onzen”, waarna het gesprek erover ging dat [bijnaam medeverdachte] nog niet is gekomen en de telefoon heeft en niet [betrokkene 1] , waarop de verdachte het gesprek afsloot met “ok dan”, dat de verdachte nadat op 7 juni 2013 een doorzoeking heeft plaatsgevonden waarbij geen verdovende middelen zijn aangetroffen, is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet, verhoord en weer in vrijheid is gesteld, dat hij op 8 juni 2013 tegen [betrokkene 1] zei: “wij zijn er zonder kleerscheuren vanaf gekomen” en dat het gesprek van 29 juni 2013 tussen de verdachte en [betrokkene 1] , waarin de verdachte aan [betrokkene 1] meedeelde dat hij “ons personeel” gaat wegbrengen en afzetten ook getuigt van het handelen als team.