ECLI:NL:HR:2009:BI3660
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen goederenrechtelijke werking Amsterdams verrekenbeding bij inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar en beroep werd verminderd door de Rechtbank Breda. Het Hof bevestigde deze uitspraak, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of het Amsterdams verrekenbeding met vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden goederenrechtelijke werking heeft, waardoor belanghebbende als rechthebbende zou gelden op vorderingen die voortvloeien uit de verkoop van aanmerkelijk belangaandelen van zijn echtgenote. Deze aandelen waren in 1997 verkocht en de opbrengst was uitgeleend aan vennootschappen waarin belanghebbende een indirect belang had.
Het Hof oordeelde dat het verrekenbeding geen goederenrechtelijke werking heeft en dat de vordering die de echtgenote op de vennootschappen heeft niet tot het inkomen van belanghebbende behoort. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de verplichting tot verrekening van overgespaarde inkomsten de uitsluiting van gemeenschap in huwelijkse voorwaarden niet kan wijzigen. Belanghebbende verkrijgt daardoor geen recht op de vordering van de echtgenote jegens de vennootschappen.
De overige klachten van belanghebbende leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het Amsterdams verrekenbeding geen goederenrechtelijke werking heeft.