Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2009:BI3747

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13032
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • A.R. Leemreis
  • J.A.C.A. Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Invorderingswet 1990Art. 16 Wet financiering volksverzekeringenArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurdersaansprakelijkheid voor niet-betaalde loonheffing en omzetbelasting

Belanghebbende is op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor de niet-betaalde loonheffing en omzetbelasting van A B.V. over verschillende tijdvakken tussen 2001 en 2003. Na bezwaar heeft de ontvanger de beschikking gehandhaafd, maar het Hof heeft het beroep van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard en de aansprakelijkstelling verminderd.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met omstandigheden die tot matiging van zijn aansprakelijkheid hadden moeten leiden. De Hoge Raad oordeelt echter dat artikel 36 Invorderingswet Pro 1990 geen mogelijkheid biedt tot matiging van de aansprakelijkheid van de bestuurder.

Het wettelijke vermoeden dat de niet-betaling van de belastingschuld aan de bestuurder is toe te rekenen, kan alleen worden weerlegd door aannemelijk te maken dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die dit vermoeden weerleggen.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee de aansprakelijkheid van belanghebbende. De proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurder.

Uitspraak

Nr. 07/13032
15 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 26 september 2007, nr. 03/2077, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 en de Wet financiering volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 27 mei 2003 op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 en artikel 16 van Pro de Wet financiering volksverzekeringen aansprakelijk gesteld voor door A B.V. te R (hierna: A) verschuldigde loonheffing over tijdvakken gelegen tussen 1 juni 2001 en 31 maart 2003, alsmede, op basis van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990, voor door A verschuldigde omzetbelasting over tijdvakken gelegen tussen 1 oktober 2002 en 31 maart 2003, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ontvanger vernietigd en het bedrag van de aansprakelijkstelling verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
De klachten houden onder meer in dat het Hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met omstandigheden die tot matiging van belanghebbendes aansprakelijkheid zouden moeten leiden. De klachten falen in zoverre. Artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 geeft de rechter geen mogelijkheid om de aansprakelijkheid van de bestuurder te matigen. Indien, zoals in het onderhavige geval, het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn meldingsplicht heeft voldaan, bestaat het wettelijke vermoeden dat de niet-betaling van de belastingschuld aan de bestuurder is te wijten, tot de weerlegging van welk vermoeden slechts wordt toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn bedoelde meldingsplicht heeft voldaan. Blijkens 's Hofs uitspraak - in cassatie onweersproken - heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld die grond zouden kunnen zijn voor het oordeel dat het niet aan hem is te wijten dat A niet aan de meldingsplicht heeft voldaan.
De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.