ECLI:NL:HR:2009:BI4746
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wederrechtelijke vrijheidsberoving van kinderen door verdachte in flatwoning
De zaak betreft een verdachte die op 23 augustus 2004 zijn vier jonge kinderen in zijn woning opsloot en met benzine overgoot, dreigend zichzelf in brand te steken. De politie en brandweer probeerden de kinderen te bevrijden, maar werden door de verdachte tegengehouden, onder meer door de voordeur te vergrendelen, een kast te plaatsen die de doorgang blokkeerde en een ladder van het balkon te duwen.
De rechtbank en het hof verklaarden de verdachte schuldig aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De verdachte voerde onder meer aan dat de kinderen te jong waren om hun wil te uiten en dat hij geen wederrechtelijke vrijheidsberoving pleegde. Het hof oordeelde dat de situatie voor de kinderen levensbedreigend was en dat de verdachte door zijn handelen de politie terecht belemmerde in het bevrijden van de kinderen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep voor zover het de inhoudelijke beoordeling betrof. Wel werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad concludeerde dat het politieoptreden rechtmatig was en dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.
De uitspraak benadrukt dat het feit dat de kinderen te jong waren om hun wil te uiten niet afdoet aan het oordeel dat sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte had bewust een levensbedreigende situatie gecreëerd en de politie belemmerd in het veiligstellen van de kinderen.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld voor wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn kinderen en kreeg een gevangenisstraf van twee jaar en elf maanden opgelegd.