ECLI:NL:PHR:2014:1572

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2014
Publicatiedatum
27 augustus 2014
Zaaknummer
13/04088
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 429 SvArt. 27 SrArt. 312 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling poging tot diefstal met geweld en niet-ontvankelijkheid OM bij getuigenvoorbereiding

De zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van diverse geweldsdelicten, poging tot diefstal met geweld en wapenbezit. Het hof legde een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden op en wees schadevergoedingen toe.

Het eerste middel betrof de klacht over een voorbereidingsbijeenkomst van politieambtenaren die als getuigen zouden optreden. De verdediging stelde dat deze bijeenkomst de betrouwbaarheid van de verklaringen aantastte en niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) gerechtvaardigd was. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel de bijeenkomst onwenselijk was, er geen sprake was van een zodanige schending van het recht op een eerlijk proces dat niet-ontvankelijkheid aangewezen was. Het hof had dit gemotiveerd en niet onbegrijpelijk geoordeeld.

Het tweede middel betrof de vraag of de gedragingen van verdachte in de woning van de slachtoffers een strafbare poging tot diefstal met geweld vormden. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat sprake was van een begin van uitvoering, waarbij ook de context en samenhang van gedragingen werden meegewogen. Het vereiste van eenheid van tijd en plaats werd ruim geïnterpreteerd.

Andere middelen betroffen onder meer de bewijsvoering omtrent de vrijheidsberoving van kinderen, het voorhanden hebben van wapens en munitie, en de motivering van de bewezenverklaring. De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde het arrest in zijn geheel.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; hofarrest bevestigd met gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden.

Conclusie

Nr. 13/04088
Mr. Vegter
Zitting 10 juni 2014
Conclusie inzake:
[verdachte] [1]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 juli 2013 de verdachte ter zake van het onder 1, eerste cumulatief, impliciet subsidiair, en tweede cumulatief, en 2 primair, eerste en tweede cumulatief “de voortgezette handeling van: de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd en medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd en poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 3. en 4. “de voortgezette handeling van: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en diefstal door twee of meer verenigde personen” en 5. “het medeplegen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en het medeplegen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het Hof beslist over de in beslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld in het arrest, de vorderingen van de benadeelde partijen zoals in het arrest vermeld toegewezen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. C.C.J. Tuip, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar ministerie ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
4. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hield in hoofdzaak verband met een bijeenkomst van politieambtenaren voorafgaande aan hun verhoor door de rechter in de onderhavige strafzaak. Het Hof heeft daar uitvoerige overwegingen aan gewijd en ik citeer daarvan een tweetal die met name voor de beoordeling van het middel van betekenis zijn.
“5.3.3.2 Bedoeling van de bijeenkomst
Uit de getuigenverklaringen van de officier van justitie en [betrokkene 1] volgt dat de gedachte achter de voorbereiding van de verbalisanten op hun verhoor bij de rechter-commissaris was om de verbalisanten te informeren over de (formele) gang van zaken tijdens een verhoor. Het hof ziet geen aanleiding om aan de onder ede afgelegde verklaring(en) van de officier van justitie en [betrokkene 1] te twijfelen. De stelling dat met de voorbereiding van de verbalisanten werd beoogd om de inhoud van hun nog af te leggen verklaringen te beïnvloeden dan wel om deze op elkaar af te stemmen acht het hof niet aannemelijk geworden.
Voorts is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de bijeenkomst is gebruikt om de verklaringen van de verbalisanten op elkaar af te stemmen. Zowel door [betrokkene 1] als de verbalisanten die aanwezig zijn geweest bij de bijeenkomst is steeds uitdrukkelijk ontkend dat tijdens de bijeenkomst adviezen en instructies zijn gegeven over hoe inhoudelijk te antwoorden bij hun verhoor bij de rechter-commissaris. Zo heeft [verbalisant 1] verklaard dat naar zijn mening de bijeenkomst inhoudelijk niet van invloed is geweest op zijn verklaring, omdat door [betrokkene 2] niet is gezegd wat hij wel en niet moest verklaren tegenover de rechter-commissaris.
Dit wordt bevestigd door [betrokkene 1], die hierover onder meer heeft verklaard:
"Het is nooit de intentie geweest om de getuigen klaar te stomen waarover ze gehoord gingen worden. Het ging er om dat ze voorbereid waren op hetgeen dat hier zou gebeuren. Het was in die zin ook niet een voorbewerkte getuige. (...) Ik wil zeggen dat wij naar eer en geweten hebben gehandeld. Ik zou het niet goed vinden als een getuige door de politie zou worden voorbewerkt voor een verhoor, maar dat is ook niet wat er is gebeurd. (...)
U (...) vraagt mij wat volgens mij bewerken is . Dat ik de getuige iets wil laten zeggen wat hij zelf niet gezien of gehoord heeft en wat hij niet zelf heeft beleefd en wat strijdig is met de werkelijkheid. "
Uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt verder dat naar aanleiding van de bijeenkomst ook geen wijzigingen zijn aangebracht in de door de aldaar aanwezige verbalisanten opgemaakte processen-verbaal omtrent de aanhouding van de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2], welke processen-verbaal allemaal dateren van ruim vóór de bijeenkomst.”

5.3.3.5. Schending van de belangen van de verdediging
Het hof acht het aannemelijk geworden dat de mogelijke beïnvloeding van de getuigen hier uit heeft bestaan, dat tijdens de bijeenkomst andere verdachte omstandigheden zijn besproken dan die zijn vermeld in de door de daar aanwezige verbalisanten opgemaakte processen-verbaal, hetgeen geleid kan hebben tot een beïnvloeding van hun geheugen. De verdediging heeft derhalve geen gelegenheid gehad om achteraf aan de verbalisanten vragen te stellen waarop zij een betrouwbaar antwoord konden geven. Het hof acht het belang van de verdediging dan ook in die zin geschonden, dat de verdediging niet door het verhoor van de verbalisanten de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten opgemaakte processen-verbaal op adequate wijze heeft kunnen toetsen.
Het hof is echter van oordeel het geenszins de bedoeling is geweest om de verklaringen van de verbalisanten te beïnvloeden. Ondanks het grote aantal getuigen dat over de bijeenkomst is gehoord, zowel in eerste aanleg als in de fase van het hoger beroep, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat met die training daadwerkelijk is beoogd de getuigen te beïnvloeden "ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaringen". Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de verbalisanten en de officier van justitie bewust hebben geschipperd met de waarheid, ook niet toen - zoals reeds onder 5.3.3.3. reeds is overwogen - vragen werden gesteld over hun voorbereiding op hun verhoor. Naar oordeel van het hof is dan ook niet doelbewust te kort gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.
Rest de vraag of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling te kort is gedaan. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Weliswaar is het handelen van de justitiële autoriteiten verwijtbaar onachtzaam en onzorgvuldig geweest, er is echter niet sprake van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De veronachtzaming van de belangen van de verdachte is niet zodanig dat deze als "grove veronachtzaming", zoals bedoeld in de bovengenoemde Zwolsman-jurisprudentie, kan worden aangemerkt.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de bijeenkomst tot gevolg heeft gehad dat mogelijk voor de verdachten ontlastende informatie is verzwegen of niet aan het licht is gekomen. Voorts is niet aannemelijk geworden of anderszins gebleken dat daarmee de betrouwbaarheid is aangetast van de reeds in de processen-verbaal vermelde informatie. De verdediging heeft gezien de inhoud van die processen-verbaal in voldoende mate de mogelijkheid behouden om de rechtmatigheid van de staande houdingen en aanhoudingen te toetsen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er andere bronnen van informatie zijn omtrent dit punt, namelijk de zeer gedetailleerde uitwerking van het telefoonverkeer van de alarmcentrale van die avond, inhoudende de signalementen van de mogelijke daders van de overval die zijn doorgegeven door burgers, en de eveneens zeer gedetailleerde uitwerking van het portofoonverkeer tussen de bij de zaak betrokken politiefunctionarissen. De onzorgvuldigheden rond de bijeenkomst worden al bij al in voldoende mate gecompenseerd, waardoor niet met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling te kort is gedaan. Dat de verbalisanten die aan de voorbereidingsbijeenkomst hebben meegedaan geen 'jonge broekjes' waren, zoals wel is gesuggereerd door degenen die (zijdelings) betrokken waren bij de bijeenkomst, maar tamelijk ervaren dienders, doet hier niets aan af.
Geconcludeerd kan worden dat er geen grond is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.“
5. Als ik het goed zie opent het middel geen frontale aanval gericht op herziening van de beperkte, in de rechtspraak gehanteerde criteria [2] voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ik lees nergens dat het Hof een verkeerd criterium heeft gebezigd of dat het in de rechtspraak gehanteerde en ook door het Hof gebruikte criterium onjuist is. Het kan echter nauwelijks anders dan dat op de achtergrond een zekere onvrede speelt over de terughoudende sanctionering van onregelmatigheden in strafzaken, in het bijzonder vormverzuimen. [3] Die onvrede deel ik niet, omdat terughoudendheid mij wel aanspreekt voor zover die betekent dat de onregelmatigheid niet min of meer automatisch een strafrechtelijk gevolg heeft. Bij de normering van het optreden van politie en justitie in hoofdzaak of louter door sanctionering in de strafzaak heb ik twijfel. Daarbij gaat het niet zo zeer om het feit dat de verdachte profiteert van een fout van een ander, maar veel meer om de vraag of politie en justitie inderdaad zich door de sanctionering in individuele strafzaken meer normconform zullen gedragen. Zonder aandacht voor een goede voorlichting aan de politie is zelfs een omgekeerd effect (‘omdat die rechters zo ver van de praktijk staan en zelfs wereldvreemd zijn’) niet uitgesloten. Effectiviteitsonderzoek in de vorm van onderzoek naar herstel van foute praktijken na een sanctie in een strafzaak is mij niet bekend. Wat mij betreft moet de aandacht vooral gericht zijn op de (verdere) ontwikkeling van effectieve instrumenten om los van de strafrechtelijke sanctionering in de concrete strafzaak herhaling van geconstateerde onregelmatigheden te voorkomen. [4] Overigens is in de onderhavige zaak wel gekozen voor een sanctie in het kader van de strafzaak (r.o. 5.3.3.7):
“Wel zal het hof, zoals hierna zal blijken, de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen die de zes verbalisanten die mee hebben gedaan aan de getuigentraining niet betrekken bij de toetsing van de rechtmatigheid van de aanhoudingen van de verdachte aangezien, zoals hiervoor aan de orde is gekomen, de betrouwbaarheid van deze verklaringen wordt aangetast door de getuigentraining. Er valt immers niet meer vast te stellen of de verklaringen gegrond zijn op "eigen waarnemingen of ondervindingen" of dat het geheugen van de getuigen achteraf is beïnvloed door hetgeen tijdens de bijeenkomst van 15 februari 2011 aan de orde is gekomen.
Ook zal het hof, zoals hierna zal blijken, de onregelmatigheden rondom de voorbereiding van de getuigen en de wijze waarop de justitiële autoriteiten hierop hebben gereageerd verdisconteren in de strafmaat. Het hof ziet daartoe onder meer aanleiding, aangezien de verantwoordelijke autoriteiten ondanks de bekendheid met het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2000, LJN AA7779 genoemde onregelmatigheden niet hebben voorkomen.”
6. Het gaat in deze zaak bij de verdere bespreking van het eerste middel in de kern niet om de vraag of een strafrechtelijke sanctie is aangewezen, maar om de vraag of de gebruikte sanctie wel streng genoeg is.
7. Ik wijs er op dat de voorbereiding van een verhoor van een getuige in het algemeen als wenselijk wordt gezien. [5] Dat er grenzen zijn blijkt uit een ook door het Hof geciteerd arrest van de Hoge Raad inzake een getuigentraining van 24 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000AA7779, NJ 2000/740:
“ 4.3. (…) Voor de beantwoording van de vraag of de belangen van de verdediging wezenlijk zijn geschaad heeft het Hof beslissend geacht of met die training daadwerkelijk is beoogd de getuigen te' beïnvloeden 'ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaring' en voorts of die training tot gevolg heeft gehad dat de getrainde getuigen de hun ter terechtzitting gestelde vragen niet naar behoren en naar waarheid hebben beantwoord. Het Hof heeft een en ander niet aannemelijk bevonden en is uiteindelijk tot de slotsom gekomen dat van wezenlijke schending van de belangen van de verdediging, welke zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, geen sprake is geweest.
4.4.Die gedachtegang, waarin besloten ligt ’s Hofs juiste oordeel dat een getuigentraining van deze aard achterwege had dienen te blijven, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet omtrent het bepaalde in art. 6 EVRM Pro, terwijl zij evenmin onbegrijpelijk is.”
8. De klacht richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de politieambtenaren geen zodanige ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een goede procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verzoeker aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan dat niet-ontvankelijkheid de aangewezen sanctie is. Uit het onder punt 7 hierboven geciteerde arrest van de Hoge Raad volgt niet zonder meer dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dwingend is aangewezen indien met de voorbereiding van het verhoor is beoogd getuigen te beïnvloeden ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaring en voorts indien door die voorbereiding de getuigen hun vragen niet naar behoren naar waarheid hebben beantwoord. In het geciteerde arrest maakte de Hoge Raad evenmin uit dat elke (bewuste) beïnvloeding van getuigen met als gevolg dat vragen aan die getuige niet meer naar behoren en naar waarheid worden beantwoord moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In de kern is dat echter wel het in de toelichting op het middel uitvoerig verdedigde standpunt en dat standpunt volg ik niet. Het Hof heeft zich in het bestreden arrest kritisch uitgelaten over de wijze waarop de politie en het OM zijn te werk gegaan bij de voorbereiding van de verhoren en de wijze waarop die verhoren hebben plaatsgevonden. Het Hof is uitgegaan van een kans op de beïnvloeding van de getuigen, maar het Hof heeft de ernst van de onregelmatigheden wel in een enigszins relativerend perspectief geplaatst. Mede gelet op die relativering is het niet onbegrijpelijk dat niet-ontvankelijkheid hier niet de aangewezen sanctie is. De relativering is enerzijds aanwezig gelet de mogelijkheid om met behulp van andere bronnen de vragen die gerezen waren voor de getuigen te beantwoorden en anderzijds gelet op de aard van de mogelijke beïnvloeding. Immers over die beïnvloeding door een voorbereidende bijeenkomst heeft het Hof in het bestreden arrest overwogen (5.3.3.2):
“De stelling dat met de voorbereiding van de verbalisanten werd beoogd om de inhoud van hun nog af te leggen verklaringen te beïnvloeden dan wel om deze op elkaar af te stemmen acht het hof niet aannemelijk geworden. Voorts is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de bijeenkomst is gebruikt om de verklaringen van de verbalisanten op elkaar af te stemmen.”
9. De steller van het middel betwist nog (wat ik hierboven heb aangeduid als) de relativering door het Hof. Het proces-verbaal van aanhouding vormt geen adequate compensatie voor de getuigenverhoren (schriftuur p. 22/23). Dat heeft het Hof ook niet gezegd. Het Hof spreekt over voldoende en niet over volledige compensatie. Inderdaad is met de steller van het middel niet volledig uit te sluiten dat volledig regelmatig verlopende getuigenverhoren in voorkomend geval nadere en/of andere informatie hadden opgeleverd. Het uitsluiten van een dergelijke mogelijkheid is nu eenmaal ondoenlijk. Het Hof spreekt daarom over voldoende compensatie en betrekt daarbij in het bijzonder andere bronnen: het telefoonverkeer van de alarmcentrale van die avond, inhoudende de signalementen van de mogelijke daders van de overval die zijn doorgegeven door burgers, en de eveneens zeer gedetailleerde uitwerking van het portofoonverkeer tussen de bij de zaak betrokken politiefunctionarissen. De beschikbaarheid van die bron is uniek en biedt een nauwelijks te evenaren mogelijkheid om te toetsen welk signalement van de verdachten nu precies was doorgegeven voorafgaande aan de aanhouding. De overweging van het Hof inzake de compensatie is niet onjuist of onbegrijpelijk.
10. Het eerste middel faalt.
11. Het
tweede middelklaagt over de verwerping van het verweer dat ter zake van het onder 2 primair, eerste cumulatief, bewezenverklaarde feit geen sprake is geweest van een strafbare poging en ook overigens over de motivering van de bewezenverklaring van die strafbare poging.
12. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor het middel van belang, bewezenverklaard dat:
“2. Hij op 28 juni 2010 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening weg te nemen geld, geheel of ten dele toebehorende aan Hoogvliet B.V. (het telcentrum gevestigd te Zoeterwoude), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders:
- in vermomming de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnengedrongen en
- vervolgens een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] gehouden en
- die [slachtoffer 2] gedwongen om op de grond te gaan zitten en daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Als je opkijkt, doe ik je wat aan" en "je gaat eraan als je kijkt of beweegt, je gaat eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking en
- die [slachtoffer 2] in een wurggreep gehouden en
- de trap opgelopen en aan die [slachtoffer 2] gevraagd hoeveel kinderen boven in de woning waren en één van die kinderen uit bed gehaald en samen op één slaapkamer vastgehouden en
- een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] gehouden
- daarbij die [slachtoffer 1] gedwongen om te gaan zitten waarbij verdachte en/of één van zijn mededaders haar ogen en mond bedekt hield en
- onder meer aan die [slachtoffer 1] gevraagd waar die [slachtoffer 1] werkzaam was en hoeveel geld er in de kluis lag en wanneer het tijdslot van de kluis geopend kon worden en/of die [slachtoffer 1] zelf in staat was om de kluis te openen en wie morgen als eerste op het werk zou beginnen dreigend de woorden toegevoegd: "Lieg niet, want ik schiet je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezegd "pas op, die handgranaat staat op scherp", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
13. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft het Hof in het arrest (p. 50/51) het volgende overwogen:
“Poging of voorbereiding?
Door de verdediging is betoogd dat de onder 2 primair, eerste en tweede cumulatief, ten laste gelegde poging niet kan worden bewezen, nu nog geen sprake was van een begin van uitvoering van het voornemen om het telcentrum van de Hoogvliet te overvallen. Het stellen van vragen aan [slachtoffer 1] is eerder te kwalificeren als voorbereidingshandeling dan als uitvoeringshandeling, en was slechts informatief van aard. De verdachten wilden kennelijk over deze informatie beschikken alvorens te besluiten al dan niet over te gaan tot de vermeende poging diefstal met geweld/afpersing
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Van een strafbare poging is sprake als de gedragingen van een verdachte zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarbij is leidend dat zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf. Hiertoe kunnen naast de voor een derde zichtbare gedragingen ook bijdragen andere feiten en omstandigheden die de context van de gedragingen kunnen bepalen.
Zoals hiervoor reeds in het kader van het medeplegen is overwogen gaat het hof ervan uit dat de verdachten het voornemen hadden om het telkantoor van de Hoogvliet te Zoeterwoude te overvallen. Daartoe zijn zij, nadat zij op verschillende dagen plaatsen hadden afgelegd die gerelateerd waren aan dat kantoor, eerst naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan, alwaar zij haar onder bedreiging van vermoedelijk een vuurwapen hebben ondervraagd over de kluis, de hoeveelheid geld in de kluis op dat moment en wie van haar collega's de volgende ochtend zou komen werken. Het hof acht het uitermate onwaarschijnlijk dat de verdachten, na deze vragen aan [slachtoffer 1] te hebben gesteld, de woning weer zouden hebben verlaten om – na beraad - vervolgens op een ander moment het telcentrum te overvallen of aldaar in te breken. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat [slachtoffer 2] de overvallers heeft horen zeggen dat zij zijn vrouw naar de kluis zouden meenemen en aan de vrouw is gevraagd of zij wilde meewerken.
Verder dragen ook de goederen die de verdachten naar en in de woning van [slachtoffer 1] goederen hadden meegenomen bij aan de uitvoering van het plan, zoals tie-wraps, wapens, pruiken en opplaksnorren, die konden dienen als vermomming.
Het hof gaat derhalve voorbij aan de stelling van de verdediging en beschouwt de gedragingen van de verdachten als een opeenvolgend geheel, welke tot een voltooiing van het delict zouden hebben geleid als de verdachten niet door de politie waren gestoord. De overval in de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en het stellen van de bovengenoemde vragen tijdens die overval kan gezien de uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als een begin van uitvoering van de onder 2 primair, eerste en tweede cumulatief, tenlastegelegde poging. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat al hetgeen onder 2 primair ten laste is gelegd bewezen kan worden verklaard.
14. Alvorens op het middel in deze zaak in te gaan citeer ik hier verder onder 14 t/m 17 de bespreking van het middel in de samenhangende strafzaak tegen verdachte [medeverdachte 3] (13/03668).
De steller van het middel meent dat de gedragingen in de woning van echtpaar te [plaats] geen poging tot diefstal met geweld c.q. poging tot afpersing jegens het telkantoor van Hoogvliet B.V. te Zoeterwoude kunnen opleveren. Niet wordt betwist dat er plannen en/of voorbereidingen waren voor de overval op het telkantoor, maar de gedragingen te Alphen aan den Rijn kunnen slechts een begin van uitvoering van een overval op het telkantoor opleveren als er eenheid is van tijd en plaats. Nu de plaats van de gedragingen en van de geplande overval op het telkantoor verschilt en gelet op de afstand tussen Alphen aan den Rijn en Zoeterwoude het niet anders kan dan dat de tijdstippen eveneens verschillen, kunnen de gedragingen te Alphen aan den Rijn geen begin van uitvoering van een overval in Zoeterwoude opleveren. Het vereiste van eenheid van tijd en plaats ontleent de steller van het middel aan HR 16 oktober 1911, W 9232.
15. Het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 1911, W 9232 ziet niet op een poging, maar op het voltooid delict van art. 312 Sr Pro. Voor een goed begrip citeer ik de volgende passage uit Noyon/Langemeijer/Remmelink [6] :
“In de betreffende zaak ging het o.m. om diefstal in een woning (art. 312 lid Pro 2art. 312 lid 2 onder 1°). Daardoor werd echter de plaats van het delict nog extra beperkt. Art. 312 lid Pro 2Art. 312 lid 2 onder 1 Sr spreekt immers van 'het feit', waaronder toch de diefstal mét geweld is te verstaan, gepleegd ín een woning. In casu was het geweld gepleegd op een brug over de Beerse Maas bij een poging aan betrapping te ontkomen een half uur na de diefstal. De A-G meende, dat het Hof nog wel had kunnen aannemen, dat de diefstal door geweld in de zin van art. 312art. 312 was gevolgd, want dat er nu eenmaal een zekere speling van tijd en plaats noodzakelijk is en deze zou hier niet te ruim zijn genomen. Wel meende de A-G, dat het Hof gelet op de vereiste eenheid van plaats ten onrechte art. 312 lid Pro 2art. 312 lid 2 sub 1 toepasselijk had geacht. De Hoge Raad oordeelde: Van het telastegelegde misdrijf vormt, al ware het slechts om het bepaalde in art. 312 lid Pro 2art. 312 lid 2 sub 1, eenheid van plaats (zij het in ruime zin opgevat) voor de beide onderdelen van het samengestelde delict (diefstal met geweld) een noodzakelijk bestanddeel. In dit opzicht achtte de Hoge Raad het arrest van het Hof onvoldoende gemotiveerd. Maar omdat in art. 312 lid Pro 2art. 312 lid 2 onder 1 en 33 Sr nader wordt aangeduid waar 'het feit' moet hebben plaatsgevonden ligt een beperking naar plaats daar eerder voor de hand dan in art. 312 lid Pro 2art. 312 lid 2 onder 2 en art. 312 lid Pro 3art. 312 lid 3 Sr. Het ligt voor de hand, dat t.a.v. de tijd in soortgelijke geest geoordeeld moet worden.”
16. Het vereiste van een zekere eenheid van plaats en tijd wordt in bovenstaand citaat in verband gebracht met de mogelijkheid van een nadere strafmaximumverhogende kwalificatie: (gedurende de voor nachtrust bestemde tijd) in een woning. Een dergelijk verband is in de onderhavige zaak niet aan de orde. De gedragingen in Alphen aan den Rijn vonden weliswaar plaats in de woning, maar uit de kwalificatie valt af te leiden dat deze omstandigheid hier niet als strafmaximumverhogende omstandigheid is aangemerkt. Overigens wordt in een vervolgpassage op het citaat hierboven gesteld dat de mobiliteit van op heterdaad betrapte en vluchtende daders kan nopen tot herbezinning. Het accent moet dan gelegd worden op de totaliteit van het gebeuren. Gewezen wordt ook op HR 8 september 1998, nr. 108.542 waarin de Hoge Raad niet ingreep in een veroordeling waarin het gevolgde geweld bestond uit het rammen van een politieauto 25 minuten na een snelkraak in een andere gemeente. Diefstal en geweld kunnen dus wel degelijk ruimtelijk en temporeel uit elkaar liggen.
17. Anders dan de steller van het middel meen ik dat bij diefstal met geweld en afpersing niet zonder meer de eis geldt dat plaats en tijd van het geweld samenvallen met de plaats waar en het tijdstip waarop het wegnemen of de afgifte wordt gerealiseerd. Dat zou bijvoorbeeld tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat het met geweld iemand ertoe brengen zijn pinpas en pincode af te geven en vervolgens even later geld pinnen niet kan worden aangemerkt als diefstal met geweld van geld of afpersing van geld. Het gaat in de bewoordingen van NLR om de totaliteit van het gebeuren. Hetgeen voor het voltooid delict geldt, is zonder meer ook van toepassing bij poging. Gelet op het karakter van de poging sluit ik niet uit dat zelfs nog meer ruimte pleitbaar is. Enig verband waarin ook tijd en plaats een rol spelen is uiteraard wel vereist, maar daarover laat het middel zich verder niet uit en het behoeft geen toelichting dat een voldoende verband in deze zaak niet ontbreekt.
18. Dan ga ik hier nu verder met de bespreking van het middel in de onderhavige strafzaak. Op de eenheid van plaats meen ik hierboven voldoende te zijn ingegaan. Het middel in de onderhavige zaak beklemtoont verder vooral dat hetgeen heeft plaatsgevonden in de woning te Alphen aan den Rijn, geen begin van uitvoering, maar een voorbereidingshandeling is van de overval op het telkantoor te Zoeterwoude. Voor het begin van uitvoering is, zoals de steller van het middel terecht onder verwijzing naar rechtspraak [7] stelt, vereist dat de door verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Ik neem aan dat de steller van het middel ook niet bedoelt aan te voeren dat in het onderhavige geval slechts sprake was van louter subjectieve criminele gezindheid voor wat betreft de overval op het telkantoor. Het door hem ingeroepen vereiste dat de uitvoeringshandeling een delictsgebonden karakter [8] heeft, verhindert niet dat voor het begin van uitvoering van de poging tot diefstal bij het telkantoor de totaliteit van het gebeuren of anders gezegd alle omstandigheden van het geval in hun onderlinge samenhang in aanmerking kunnen worden genomen. Voldoende verband met de overval op het telkantoor is aanwezig nu er in de woorden van Remmelink ‘regelrecht contact’ [9] is met een slachtoffer te weten een werkneemster van het telkantoor, de in de woning aanwezige [slachtoffer 1]. Aan [slachtoffer 1] is immers blijkens de op dit punt niet bestreden bewezenverklaring gevraagd waar die [slachtoffer 1] werkzaam was en hoeveel geld er in de kluis lag en wanneer het tijdslot van de kluis geopend kon worden en/of die [slachtoffer 1] zelf in staat was om de kluis te openen en wie morgen als eerste op het werk zou beginnen. Daarbij heeft het Hof bepaald niet onbegrijpelijk mede in aanmerking genomen dat [slachtoffer 2] de overvallers heeft horen zeggen dat zij zijn vrouw ([slachtoffer 1]) naar de kluis zouden meenemen en aan de vrouw is gevraagd of zij wilde meewerken. Voorts komt uit de bewijsvoering naar voren dat de verdachten op de hoogte zijn van tal van omstandigheden betreffende het telkantoor, dat zij het telkantoor uitvoerig voorverkend hebben en dat zij beschikken over allerlei voorwerpen die bij een overval te pas kunnen komen (tie-raps, wapens, plaksnorren, pruiken enz.). Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof al deze omstandigheden in hun onderling verband voldoende heeft geoordeeld voor een begin van uitvoering van een overval op het telkantoor.
19. Het tweede middel treft geen doel.
20. Het
derde middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 primair, tweede cumulatief. In het bijzonder zou de dwang tot afgifte van geld, toebehorend aan Hoogvliet B.V. (het telkantoor) ontoereikend dan wel onbegrijpelijk zijn gemotiveerd.
21. De in het arrest vervatte bewezenverklaring van feit 2 primair, tweede cumulatief is de volgende:
“hij op 28 juni 2010 te Alphen aan den Rijn uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan Hoogvliet (het telcentrum gevestigd te Zoeterwoude), met een of meer van zijn mededaders, althans alleen:
- in vermomming de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnengedrongen en
- vervolgens een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] gehouden en
- die [slachtoffer 2] gedwongen om op de grond te gaan zitten en daarbij dreigend de woorden toegevoegd: “Als je opkijkt, doe ik je wat aan” en “je gaat eraan als je kijkt of beweegt, je gaat eraan”, althans woorden van gelijke dreigende aard en of strekking en
- die [slachtoffer 2] in een wurggreep gehouden en
- de trap opgelopen en aan die [slachtoffer 2] gevraagd hoeveel kinderen boven in de woning waren en één van die kinderen uit bed gehaald en samen met haar broer op één slaapkamer vastgehouden en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] gehouden en
- daarbij die [slachtoffer 1] gedwongen om te gaan zitten waarbij verdachte en/of één van zijn mededaders haar ogen en mond bedekt hield en
- onder meer aan die [slachtoffer 1] gevraagd waar die [slachtoffer 1] werkzaam was en hoeveel geld erin de kluis lag en wanneer het tijdslot van de kluis geopend kon worden en of die [slachtoffer 1] zelf in staat was om de kluis te openen en wie morgen als eerste op het werk zou beginnen en dreigend de woorden toegevoegd: “Lieg niet, want ik schiet je hartstikke dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gezegd “pas op, die handgranaat staat op scherp”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;”
22. Omdat de klachten deels een overlapping vormen van het tweede middel verwijs ik allereerst naar de bespreking van dat middel hierboven. Het komt mij anders dan de steller van het middel voor dat het Hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat er sprake was van dwang tot afgifte van geld. Ik meen te kunnen volstaan met de opmerking dat wanneer er een pistool tegen het hoofd wordt gezet en vervolgens ook gevraagd wordt naar medewerking daarin besloten ligt dat [slachtoffer 1] gedwongen werd tot medewerking aan de afgifte van geld. Waarom [slachtoffer 1] en (indirect) [slachtoffer 2] niet in staat zouden zijn te bewerkstelligen dat er daadwerkelijk sprake zou zijn van afgifte van geld (en in de benadering van de steller van het middel de poging absoluut ondeugdelijk zou zijn) zie ik niet in. [slachtoffer 1] was als werknemer in staat om de verdachten op zijn minst toegang tot het telcentrum te verschaffen. Er is nauwelijks fantasie voor nodig om te bedenken dat [slachtoffer 2] dat ook zou kunnen bijvoorbeeld omdat hij als inwonend partner mogelijk ervan op de hoogte was waar [slachtoffer 1] de sleutels of andere toegangsgegevens bewaarde.
23 Het derde middel faalt.
24. Het
vierde middelklaagt dat het Hof “ten onrechte, althans onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard (onder 1 eerste cumulatief) wederrechtelijke vrijheidsberoving van de twee kinderen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of (onder 1, eerste cumulatief, en 2 primair, eerste en tweede cumulatief) heeft bewezenverklaard dat de twee kinderen samen op één slaapkamer zijn vastgehouden”.
25. De klacht richt zich op de bewijsvoering van het Hof voor zover is bewezenverklaard dat het uit bed gehaalde kind samen met haar broer op één slaapkamer is vastgehouden. [10] Ik kan niet nalaten op te merken dat hetgeen naar voren wordt gebracht mij van weinig betekenis voor de afdoening van de zaak lijkt. Ook als niet bewezen zou kunnen worden dat de kinderen zijn ‘vastgehouden’, is dat voor de ernst en aard van de feiten van volstrekt ondergeschikt belang. Immers voor dat geval blijkt kennelijk ook naar het oordeel van de steller van de middelen genoegzaam uit de bewijsvoering dat de ouders van hun vrijheid zijn beroofd, dat gepoogd is met geweld en bedreiging van geweld te stelen en dat is gepoogd af te persen, terwijl de kinderen boven in de woning aanwezig waren en één van de daders bij de kinderen is geweest en contact met één van kinderen heeft gehad. Dat laatste kan hoe dan ook voor de straftoemeting van betekenis worden geacht.
26. Het hof heeft een gevoerd verweer inzake de vrijheidsberoving van de kinderen als volgt verworpen (p. 49/50 van het arrest):
“Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving van het echtpaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun twee kinderen overweegt het hof het navolgende. Onder wederrechtelijke vrijheidsberoving dient te worden verstaan de beroving van iemands vrijheid, waarbij diegene niet vrijwillig kan vertrekken van de plaats waar hij was of naar de plaats waar hij heen wil, omdat hij is opgesloten of niet weg kan gaan zonder zich bloot te stellen aan geweld. Daarbij levert het ontnemen van de vrijheid tot bewegen van in totaal enkele minuten al wederrechtelijke vrijheidsberoving op (vlg. HR 23 april 1985, NJ 1985, 891).
Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanaf het moment dat de mannen hun woning binnendrongen geheel in hun bewegingsvrijheid waren beperkt. Zij werden immers gedwongen om te gaan zitten en waren niet in staat om (met hun kinderen) te vluchten. Naar het oordeel van het hof zijn ook de kinderen van aangevers van hun vrijheid beroofd. Nadat aan het tienjarige dochtertje van aangevers werd gevraagd om naar de slaapkamer van haar ouders te gaan en naar haar broertje te gaan en zij haar vader heeft horen roepen dat zij werden overvallen, wilde zij samen met haar broertje uit het raam naar buiten klimmen. Daaruit volgt dat zij zich niet vrij voelde om op de gebruikelijke wijze naar beneden naar haar ouders te gaan. Dat het gebeuren hooguit enkele minuten heeft geduurd doet aan het vorenstaande niets af. De situatie was zodanig dat de kinderen niet vrijwillig konden vertrekken van de plaats waar zij zich bevonden, zonder het gevaar te lopen aan geweld bloot te staan. Het verweer wordt verworpen.”
27. Mede in het licht van hetgeen jegens de ouders heeft plaats gehad, is het niet onbegrijpelijk dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat de (jonge) kinderen zijn vastgehouden. Vasthouden is iets anders dan opsluiten. Ook geldt niet de eis dat het vasthouden een bepaalde minimumduur heeft. De oudste van de kinderen (het dochtertje) heeft, zoals uit de bewijsvoering blijkt, verklaard dat ze de eerste keer toen één van de mannen boven kwam zich heeft stil gehouden, maar dat ze de tweede keer ‘best wel hard’ werd vastgepakt en desgevraagd naar de ouderslaapkamer waar haar broertje sliep is gegaan. Ze is dus in de meest letterlijke zin zelfs even feitelijk vastgehouden, terwijl ze haar vader tevoren had horen roepen: “Help. We worden overvallen”. Dat ze werd vastgehouden, kon het Hof bovendien nog afleiden uit haar verklaring dat zij van plan was met haar broertje uit het raam te klauteren. Het Hof heeft dat kennelijk en niet onbegrijpelijk zo opgevat dat beide kinderen werden belemmerd de woning langs de gebruikelijke weg te verlaten, omdat ze door toedoen van de verdachten vast zaten op de ouderslaapkamer.
28. Het Hof leunt hier niet louter op de subjectieve beleving van het meisje: zij voelde zich niet vrij om op de gebruikelijk wijze naar haar ouders te gaan. Het Hof heeft het gevoel van het meisje als aanknopingspunt genoemd. Bepalend is dat gevoel niet, omdat indien het meisje (en in haar kielzog het jongere broertje) zich wel vrij had gevoeld naar haar ouders te gaan en dit ook daadwerkelijk zou hebben gedaan de vrijheidsberoving door die mogelijkheid van interne verplaatsing binnen het huis niet ten einde zou zijn gekomen. De bewegingsvrijheid van een jong kind hangt in een geval als het onderhavige sterk samen met de bewegingsvrijheid die de overvallers de ouders laten. Bovendien heeft het Hof echter overwogen dat de situatie zodanig was dat de kinderen niet vrijwillig konden vertrekken van de plaats waar zij zich bevonden, zonder het gevaar te lopen aan geweld bloot te staan. Het Hof acht de subjectieve beleving van het meisje dus niet doorslaggevend. Mijn ambtgenoot Knigge heeft zich onlangs als volgt uitgelaten: “Mijn conclusie is dat veel ervoor pleit om vrijheidsberoving te definiëren als het benemen van de feitelijke mogelijkheid om zich te verplaatsen, zodat de actuele beleving van het slachtoffer irrelevant is.” [11] De feitelijke mogelijkheid om zich (naar volledige vrijheid) te verplaatsen, heeft het Hof meent (mede) bepalend geacht door aan te knopen bij de situatie die zodanig was dat de kinderen niet vrijwillig konden vertrekken.
29. Het vierde middeltreft geen doel.
30. Het
vijfde middelklaagt dat de motivering van het bewezenverklaarde onder 5 onjuist, onbegrijpelijk of ontoereikend is.
31. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor dit middel van belang, bewezen verklaard dat:
“5. Hij op 28 juni 2010 te Alphen aan den Rijn en Waddinxveen, tezamen en in vereniging met anderen, meer wapens van categorie III, te weten:
- een pistool (7.62mm) en
- een pistool (Browning 9mm) en
- een pistool (Walther 9mm),
en munitie van categorie III, te weten:
- zes, althans een of meer kogelpatronen behorende bij een pistool kaliber 7.62mm en
- tien kogelpatronen behorende bij een pistool Browning kaliber 9mm en
- vijf kogelpatronen behorende bij een pistool Walther kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.”
32. De volgende bewijsoverwegingen (p. 52/53 van het bestreden arrest) zijn van belang voor de beoordeling van het middel
“6.1.4.2 Ter zake van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte ook ter zake van het onder 3, 4 en 5 dient te worden vrijgesproken. Voor wat betreft de feiten onder 3 en 4 bevat het dossier slechts in direct bewijs. Vrijspraak voor deze feiten dient weer vrijspraak voor het onder 5 ten gevolge te hebben.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Kort na de overval (met gebruik van vermommingen) op het echtpaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ziet de getuige [betrokkene 4] in de nabijheid van de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vijf mannen bij een hek bij een sloot staan. In de sloot achter dit hek is eerst [medeverdachte 3] en ook later [betrokkene 5] aangehouden. Bij de aanhouding van [medeverdachte 3] is geschoten. Zowel uit de aangifte van [betrokkene 6] als die van [betrokkene 7] volgt dat zij buiten geschreeuw en knallen hoorden en dat vrijwel direct hierop drie mannen hun woning zijn binnengedrongen. De mannen hadden pruiken open er i s ook een zwarte snor gezien. Deze mannen hebben vervolgens met geweld de autosleutels van de grijze Ford Focus met kenteken [AA-00-AA] van hen weten te ontvreemden.
Eén van de mannen riep: " Ik schiet, ik schiet " en er is ook daadwerkelijk geschoten. De mannen verkeerden al die tijd in elkaars nabijheid en zijn gezamenlijk in de voornoemde Ford Focus gevlucht. In de woning van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] is een pruik gevonden.
Met één van de wapens die in Waddinxveen op de looproute van de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] is aangetroffen is waarschijnlijk in het huis van het echtpaar [betrokkene 6] een schot gelost. Zoals hiervoor aan de orde is gekomen zijn na de aanhoudingen op de Kanaaldijk en in het daarnaast gelegen water onder meer een nepsnor, drie vuurwapens (met patronen) en een zwart trainingsjack met witte bies aangetroffen. Uit deze omstandigheden leidt het hof af, dat de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] zich in Waddinxveen hebben ontdaan van goederen die hen in verband zouden kunnen brengen met de in Alphen aan den Rijn gepleegde strafbare feiten. Die hadden zij dus ook in hun bezit bij de overval op de aangevers [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en tijdens het vervoer van de wapens van Alphen
aan den Rijn naar Waddinxveen, in de gestolen auto van [betrokkene 6].
Bij zijn aanhouding had [verdachte] een rode striem in zijn nek. Ook is op de linkerschoen van [verdachte] een bloedspoor gevonden, welk bloed afkomstig blijkt te zijn van [betrokkene 6].
Zoals hierboven reeds onder 7.3.1 is overwogen, acht het hof het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen verklaard. Op grond van die hierboven vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte ook het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan. Het hof gaat er daarbij vanuit dat [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk via de aan de sloot grenzende achtertuin de woning van aangevers [betrokkene 6] en [betrokkene 7] zijn binnengedrongen, dat zij daar de autosleutels van [betrokkene 6] met geweld hebben ontvreemd en in de auto van [betrokkene 6] zijn gevlucht.
Hoewel niet kan worden vastgesteld wat precies de rol van elke verdachte bij het plegen van de bovengenoemde feiten is geweest kan wel geconcludeerd worden dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking met de andere verdachten.
Dit geldt ook voor het voorhanden hebben van de wapens en de munitie zoals onder 5 ten laste gelegd. Gezien de bovenstaande bewijsmiddelen kan het niet anders dan dat elk van de verdachten - in ieder geval vanaf het moment dat er in het huis van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] met een wapen is geschoten door één van de verdachten - (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op de aanwezigheid van de wapens en de munitie, ook op het moment van het vervoer daarvan in de gestolen auto. Geen van de verdachten heeft zich hiervan gedistantieerd. In samenhang met de wijze waarop gebruik is gemaakt van een wapen bij het onder 3 ten laste gelegde feit, zoals blijkt uit de bovenstaande bewijsmiddelen, kan worden geconcludeerd dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft medegepleegd.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.”
33. In cassatie wordt de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 niet bestreden. Daarmee staat vast dat verdachte met twee anderen betrokken is bij de woningoverval bij [betrokkene 6] en [betrokkene 7] waarbij is geschoten terwijl waarschijnlijk een huls is verschoten met de in het bewezenverklaarde feit 5 bedoelde Walther (zie ook 6.1.3.2; p. 36 van het arrest) en de diefstal van de later aangetroffen auto. Verdachte en twee anderen zijn kort na de strafbare feiten in de omgeving van die tegen een paal aangetroffen auto aangehouden, terwijl in de richting waar ze vandaan kwamen drie vuurwapens waaronder een Walther (twee vuurwapens in het water) zijn aangetroffen (zie ook 6.1.3.2; p. 36 van het arrest). Anders dan de steller van het middel zijn de omstandigheden niet zo dat daarmee verdachte maar voor elk uit de sloot gevist verboden voorwerp dat enigszins bij woningovervallen kan worden gepast strafrechtelijk aansprakelijk is. Mede gelet op de omstandigheid dat verdachte geen opheldering over de aangetroffen voorwerpen heeft gegeven, is de bewijsmotivering niet ontoereikend of onbegrijpelijk.
34. Het vijfde middel faalt.
35. De middelen 3 en 5 kunnen in ieder geval met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaken 13/03668 ([medeverdachte 3]), 13/03695 ([medeverdachte 1]) en 13/03839 ([medeverdachte 2]), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
2.Centraal staan de in HR 19 december 1995, NJ 1996/249 m.nt. Schalken (Zwolsman) en HR 1 juni 1999, NJ 1999/567 m.nt. Schalken (Karman) ontwikkelde criteria die grofweg een grens stellen bij eerlijke berechting en misleiding van de rechter. Zie ook HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen.
3.In casu betreft het onregelmatigheden buiten het kader van art. 359a Sv, maar ook in dat geval kunnen er processuele consequenties zijn (HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0816).
4.Zie bijvoorbeeld ook M.J. Borgers en T. Kooijmans, ‘Alternatieven voor rechterlijke controle op vormverzuimen’ in: M.S. Groenhuijsen, T. Kooijmans en J.W. Ouwerkerk (Eds),
5.Zie bijvoorbeeld G. Mols, in: Ties Prakken e.a.(red.), Handboek verdediging, Deventer 2009, p. 328. Voorts met uitgebreide verwijzingen L.Kesteloo, De voorbereiding van getuigen is strafzaken, DD2012, p. 702-717.
6.Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aantek. 2 bij art. 312 Sr Pro (bijgewerkt tot 1 augustus 2007).
7.HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52 m.nt. Van Veen (Cito-arrest) en HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187.
8.De Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer 2012, p. 379.
9.Zie conclusie Remmelink HR 8 september 1987, NJ 1988/612 m.nt. ’t Hart (Grenswisselkantoor).
10.De bewoordingen worden in het kader van feit 1 en 2 gebruikt. Het ‘vasthouden’ van de kinderen wordt in het kader van feit 1 aangemerkt als wederrechtelijke vrijheidsberoving en in het kader van feit 2 als een onderdeel van de bedreiging van de ouders
11.G. Knigge, Van vrijheidsberoving, bewustheid en bestwil, in: J.W. Fokkens e.a., Ad hunc modum, Liber amicorum Ad Machielse, Deventer 2013, p. 201. In die bijdrage wordt de discussie aangegaan met het standpunt van Machielse in zijn conclusie bij HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4746, NJ 2009/447. Het criterium is door Knigge vooral ontwikkeld in verband met gevallen waarin jonge kinderen nu juist wel er voor kiezen op een bepaalde plaats te blijven. Die ‘vrijwilligheid’ is naar het oordeel van Knigge onder omstandigheden irrelevant. Dat betekent anders dan de steller van het middel lijkt te verdedigen nog niet dat daarmee door het kind ervaren onvrijwilligheid niet een rol kan spelen.