ECLI:NL:HR:2009:BJ8511
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt berekeningsmethode invorderingsrente bij deelbetalingen
Belanghebbende, een vennootschap, verrichtte betalingen die ontoereikend waren om zowel de hoofdsom als de invorderingsrente volledig te voldoen. De ontvanger rekende een deel van deze betalingen toe aan de invorderingsrente en stelde deze vast volgens de artikelen 29 en 30 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde invorderingsrente, maar de ontvanger handhaafde de beschikkingen. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat de methode van berekening van de invorderingsrente, zoals voorgeschreven in de Uitvoeringsregeling, niet in strijd is met de Invorderingswet 1990, met name de artikelen 7 en 28. De delegatiebepaling in artikel 31 IW Pro 1990 geeft ruimte voor deze berekeningswijze. Bovendien leidt deze methode tot een lagere totale invorderingsrente dan de door belanghebbende voorgestane methode.
De Hoge Raad verwierp het betoog van belanghebbende dat de bepalingen van de Uitvoeringsregeling onverbindend zouden zijn en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de berekeningsmethode van invorderingsrente wordt bevestigd.