ECLI:NL:PHR:2009:BJ8511
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de berekening en toerekening van invorderingsrente bij deelbetalingen op belastingaanslagen
Belanghebbende, X B.V., betwistte de wijze waarop de Belastingdienst invorderingsrente berekende en toerekende bij deelbetalingen op naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen over 2004. De discussie spitste zich toe op de vraag of invorderingsrente berekend moet worden over het volledige openstaande bedrag of per betaling afzonderlijk, en hoe deelbetalingen moeten worden gesplitst tussen hoofdsom en rente.
De Rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat de wettelijke regeling, met name artikel 7 en Pro 28 van de Invorderingswet 1990 en artikel 29 van Pro de Uitvoeringsregeling, een dwingende afboekingsvolgorde voorschrijven waarbij invorderingsrente per betaling wordt berekend. De rechtbank verwierp ook het beroep op een oud arrest uit 1989 als niet meer relevant.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de wetgever sinds de invoering van de Invorderingswet 1990 heeft beoogd invorderingsrente per betaling te berekenen en af te boeken volgens de formule in de Uitvoeringsregeling. De Hoge Raad wijst erop dat artikel 7 IW Pro 1990 de volgorde van toerekening regelt, maar niet de berekeningswijze van de rente. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de methode van de Belastingdienst in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en de parlementaire geschiedenis.
Belanghebbende heeft procesbelang bij haar beroep, maar de Hoge Raad concludeert dat het beroep niet slaagt. De uitspraak bevestigt de geldende systematiek van berekening en toerekening van invorderingsrente bij deelbetalingen op belastingaanslagen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de berekeningsmethode van de invorderingsrente door de Belastingdienst wordt bevestigd.