ECLI:NL:HR:2009:BJ9350
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid vergunningstelsel voor radiouitzendingen volgens Telecommunicatiewet
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte werd veroordeeld voor het zonder vergunning gebruiken van radiozendapparatuur in strijd met artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet.
Verdachte betoogde dat het vergunningstelsel in strijd was met hogere Europese regelgeving en verdragsbepalingen, waaronder artikel 10 EVRM Pro en artikel 19 IVBPR Pro, die het recht op vrijheid van meningsuiting beschermen. Het hof oordeelde dat het vergunningstelsel een legitieme beperking vormt ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en niet neerkomt op censuur van de inhoud van de uitzendingen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat het vergunningenstelsel noodzakelijk en evenredig is binnen de grenzen van de verdragsbepalingen. Tevens stelt de Hoge Raad vast dat de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolgen heeft gezien de aard van de opgelegde sanctie.
Het beroep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand. Hiermee wordt bevestigd dat het verzorgen van radiouitzendingen zonder vergunning strafbaar is en dat het recht op vrije meningsuiting binnen dit kader beperkt mag worden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het zonder vergunning verzorgen van radiouitzendingen en verklaart het vergunningstelsel in de Telecommunicatiewet verenigbaar met het recht op vrije meningsuiting.