Conclusie
“medeplegen van kraken”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
vijfde middel. Het middel klaagt over de verwerping van het (bewijs)verweer dat het gebruik van het gebouw, waar de verdachte volgens de tenlastelegging wederrechtelijk heeft vertoefd, door de rechthebbende niet was beëindigd.
feitelijkgebruik door de rechthebbende is beëindigd’.”
NJ1988/286, heeft Uw Raad al eens uitgemaakt dat ‘in gebruik’ als bedoeld in art. 138 Sr Pro moet worden verstaan als ‘feitelijk in gebruik’, en dat niet de motieven (van de gebruiker) beslissend zijn, doch slechts het feitelijk gebruik als zodanig.
voldoende gebruikin de zin van de Leegstandwet en - derhalve - art. 138a Sr. De beantwoording van die vraag is in het kader van strafvervolging door de wetgever aan de rechter overgelaten. Ook de gemeente is bevoegd om in voorkomende gevallen zich een oordeel te vormen in het kader van leegstandbeheer. Dit uit zich ook in de tekst van de artikelen 3 en 4 van de Leegstandwet (cursivering PV): [7]
of gedeelten daarvan, niet zijnde woonruimte, gelegen in de gemeente of daarbij aangegeven delen van de gemeente, door de eigenaar wordt gemeld aan burgemeester en wethouders, zodra die leegstand langer duurt dan een in die verordening aangegeven termijn van ten minste zes maanden.
of gedeelten daarvan. Op deze lijst houden zij ook de gebouwen
of gedeelten daarvanbij, waarvan ambtshalve geconstateerd is dat deze leegstaan en waarvan de leegstand overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gemeld had moeten worden door de eigenaar.
respectievelijk dat gedeelte van het gebouw.
respectievelijk het gedeelte daarvangeschikt is voor gebruik.”
feitelijk gebruik van dit perceel als kantoorpandwas beëindigd door de rechthebbende, getuigt in mijn ogen niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het onbegrijpelijk. Zelfs wanneer het Hof het gebouw als één geheel zou hebben gezien en zou hebben bewezenverklaard ‘beëindiging van het gebruik van Koningin Wilhelminalaan 7-9 ’ , dan nog is het oordeel van het hof te begrijpen als ‘onvoldoende gebruik’ van de Koningin Wilhelminalaan 7-9 , in die zin dat perceel 7 feitelijk niet in gebruik was als kantoorpand.
eerste middelklaagt over de afwijzing van het verzoek tot voeging aan de processtukken van de aangifte van [betrokkene 3] , werkzaam bij Antikraak B.V.. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof bij de beoordeling van het verzoek een verkeerde maatstaf heeft aangelegd, althans dat de afwijzing onbegrijpelijk is.
tweedeen het
derde middelklagen onder meer over de afwijzing van een aantal getuigenverzoeken (p. 1-4, 14-14a van de pleitnotities).
tweede middelbevat twee deelklachten. Het eerste onderdeel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek tot het (doen) horen van ‘een andere medewerker van Antikraak B.V., die de bron is van het door politieambtenaar [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal op pagina 104 van het dossier.’ Het tweede onderdeel bevat de klacht dat de afwijzing van de verzoeken om de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , de eigenaar en/of een vertegenwoordiger van het bedrijf Go Public, de eigenaar en/of een vertegenwoordiger van het bedrijf The Bill Doctor en [verbalisant 2] , te (doen) horen niet begrijpelijk is op de grond dat met de afwijzing de door de verdediging gesignaleerde tegenstrijdigheid, c.q. dubbelzinnigheid in het dossier niet is weggenomen.
met name genoemde getuigen(of getuigen-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling. [14]
verondersteltdat de medewerkers van het bedrijf [A] ook in het perceel Koningin Wilhelminalaan 7
werkten. Deze lezing wordt door het dossier op generlei wijze ondersteund. [17] Het hof was dan ook niet gehouden zijn afwijzing nader te onderbouwen.
derde middelklaagt allereerst over de afwijzing van het verzoek om als getuige te (doen) horen [verbalisant 6] , hoofdagent van politie te Utrecht. Voorts klaagt het middel dat het hof haar proces-verbaal heeft gebezigd tot het bewijs.
vierde middelklaagt over de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het strafrecht niet is ingezet als ultimum remedium.
ultimum remediumkarakter van het strafrecht. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet Kraken en leegstand blijkt uitdrukkelijk dat tegen kraken het strafrecht slechts als laatste redmiddel wordt ingezet. Blijkens de wetsgeschiedenis bestond daarover geen twijfel:
wenselijkheidvan het hanteren van het strafrecht als ultimum remedium naar voren komt, maar een
plichtvoor het openbaar ministerie om eerst andere wegen te bewandelen alvorens over te gaan tot bijvoorbeeld ontruiming en aanhouding op basis van een verdenking ex 138a Sr, lees ik daar niet in. Zulk een plicht kan ik evenmin ontwaren in de Beleidsbrief van het openbaar ministerie inzake strafrechtelijke ontruimingen. [20]