ECLI:NL:HR:2009:BK1798
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vereisten voor beslissingen bij niet verschijnen van getuigen na bevel tot oproeping in strafproces
In deze cassatieprocedure heeft de Hoge Raad geoordeeld over de toepassing van artikel 322, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in relatie tot bevelen tot oproeping van getuigen op grond van artikel 315 Sv Pro. De zaak betreft een hoger beroep waarin een getuige, ondanks een bevel tot oproeping, niet is verschenen bij meerdere terechtzittingen.
De Hoge Raad stelt vast dat bevelen tot oproeping van getuigen op grond van artikel 315 Sv Pro ook na het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting in stand blijven. Indien een getuige na een dergelijk bevel niet verschijnt, dient de rechter een beslissing te nemen op grond van artikel 287 of Pro 288 Sv over het al dan niet opnieuw oproepen van die getuige. Het niet nemen van een dergelijke beslissing leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak.
In de onderhavige zaak had het hof nagelaten een beslissing te nemen over het opnieuw oproepen van een niet verschenen getuige na hernieuwde aanvang van het onderzoek, hetgeen de Hoge Raad terecht achtte voor vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe berechting. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat afwijzende beslissingen op verzoeken tot oproeping van getuigen op grond van art. 328 en Pro 331 Sv niet onder art. 322, vierde lid, Sv vallen en derhalve bij hernieuwde aanvang opnieuw moeten worden gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens het ontbreken van een vereiste beslissing over het niet verschijnen van een getuige.