ECLI:NL:HR:2009:BK4884

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02611 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 36e SrArt. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van aanvraag tot herziening van ontnemingsuitspraak en strafvonnis

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te Zwolle-Lelystad en een ontnemingsbeslissing van dezelfde rechter. De aanvrager was veroordeeld voor medeplichtigheid aan een overtreding van de Opiumwet en diefstal, met een gevangenisstraf van vier maanden en een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 84.635.

De Hoge Raad beoordeelde dat een aanvraag tot herziening alleen ontvankelijk is indien zij steunt op nieuwe feitelijke omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat de uitkomst van de zaak anders zou zijn geweest. De aanvraag bevatte geen dergelijke omstandigheden en voldeed niet aan de vereisten van art. 459 en Pro 460 Sv.

Voorts oordeelde de Hoge Raad dat oplegging van een ontnemingsmaatregel geen veroordeling is in de zin van art. 457 Sv Pro, waardoor de aanvraag tot herziening van de ontnemingsuitspraak niet ontvankelijk kan worden verklaard. De Hoge Raad wees op de mogelijkheid van vermindering of kwijtschelding van het bedrag op grond van art. 577b Sv en uitstel of betaling in termijnen op grond van art. 561 Sv Pro.

De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wees de aanvraag af. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 1 december 2009.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wijst deze af.

Uitspraak

1 december 2009
Strafkamer
nr. 09/02611 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van (a) een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 15 oktober 2004, nummer 07/470012-04, en van (b) een in kracht van gewijsde gegane beslissing op een vordering als bedoeld in art. 36e Wetboek van Strafrecht van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 15 oktober 2004, nummer 07/470012-04, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager bij het onder (a) vermelde vonnis als 1. "medeplichtige van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef Pro en onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod" en ter zake van 2. "diefstal, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts heeft de Politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de aanvrager een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in de aantekening mondeling vonnis vermeld.
Verder heeft de Politierechter bij de onder (b) vermelde uitspraak de aanvrager de verplichting opgelegd om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van
€ 84.635,-.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage tot herziening van het onder (a) vermelde vonnis
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beoordeling van de aanvrage tot herziening van de onder (b) vermelde uitspraak
De aanvrage kan niet tot herziening leiden, reeds omdat oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan daarom niet worden ontvangen.
Opmerking verdient dat de rechter die de maatregel heeft opgelegd op grond van art. 577b, tweede lid, Sv bevoegd is op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden, en dat de officier van justitie op grond van art. 561, derde lid, Sv uitstel van betaling of betaling in termijnen kan toestaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 1 december 2009.