Conclusie
I Inleiding/art. 577b Sv
II De bestreden beslissing
“
De beoordeling
Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft veroordeelde op de in het verzoek aangevoerde gronden – kort samengevat – aangevoerd dat het hof in zijn beslissing tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat is uitgegaan van een onjuiste grondslag.
III Een tweetal andere beslissingen van hoven
IV De wettelijke regeling nader bezien
(…)
Voor wat de mogelijkheid van kwijtschelding en vermindering betreft, stelt de commissie echter een afwijking voor. Volgens het ontwerp-artikel 577c Sv, is de ontvankelijkheid van een daartoe strekkend verzoek aan de rechter namelijk niet beperkt tot de termijn, gesteld in artikel 574, tweede lid. Bovendien is hier, anders dan bij de boete, een rechterlijk bevel tot (gehele of gedeeltelijke) restitutie, of uitkering aan een derde, van het reeds betaalde of verhaalde bedrag mogelijk gemaakt. Voor de overwegingen die de commissie tot deze afwijkingen hebben gebracht, verwijst zij naar § 3.2 van haar eindrapport.
Om praktische redenen bepaalt het derde lid, dat de restitutie alleen kan worden bevolen wanneer de vordering of het verzoek daartoe binnen een jaar na volledige betaling of verhaal is gedaan. In een later stadium zullen zich trouwens niet licht nova voordoen die aanleiding zouden kunnen geven tot gehele of gedeeltelijke teruggave, zonder grond op te leveren voor een – uiteraard ook na een jaar nog mogelijk blijkende – herziening overeenkomstig de artikelen 457-481 Sv.” [6]
- gevallen waarin naderhand blijkt dat door de schatting door de rechter de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te hoog is uitgevallen;
- gevallen waarin de veroordeelde naderhand al dan niet krachtens een rechterlijke uitspraak in een privaatrechtelijk geding de gelaedeerde schadeloos heeft gesteld of wil stellen.
In beide gevallen kan de verdachte de rechter om vermindering of kwijtschelding, c.q. gehele of gedeeltelijke teruggave van het bedrag verzoeken.” [7]
voorafgaandeaan de executiefase al een beeld van de draagkracht te vormen en anticiperend te oordelen op de financiële positie van de veroordeelde
achteraf”.
V Enige rechtspraak van de Hoge Raad
NJ2014/363 m.nt. Borgers over art. 36e, vijfde lid, Sr:
VI Enige literatuur
VII Nieuwe wetgeving
eerste tot en met vijfde lidvan deze nieuwe bepaling over het verminderen of kwijtschelden van het bedrag dat is vastgesteld bij het opleggen van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het
tweede lidbevat een voorbeeld van een geval waarin teruggave van een geldsom aan een veroordeelde aan de orde kan zijn. Hierop is de in artikel 6:1:13 Sv Pro voorgestelde mogelijkheid van verrekening van toepassing.” [19]
voorbeeldvan een geval waarin om vermindering van het vastgestelde bedrag kan worden verzocht en teruggave van een geldsom aan de betrokkene aan orde kan zijn. Ook met het oog op deze wetswijziging is het naar mijn inzicht van belang dat de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over de reikwijdte en de strekking van art. 577b Sv, straks art. 6:6:26 Sv Pro.
VIII Slotsom
- art. 577b, tweede lid, Sv formuleert in algemene bewoordingen een bevoegdheid voor de rechter om te matigen of kwijt te schelden en stelt daarbij geen beperkingen aan de gevallen waarin de rechter van deze bevoegdheid gebruik kan maken;
- in de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden voor hetgeen het hof heeft vooropgesteld; - - de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860,
NJ2014/363 met betrekking tot art. 36e, vijfde lid, Sr geoordeeld dat de bevoegdheid van de rechter om het bedrag dat de betrokkene aan de Staat dient te betalen lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel, niet beperkt is tot enkel gevallen waarin het om de draagkracht van de betrokkene gaat, “nu dit uit tekst noch wetsgeschiedenis volgt”. Daaruit zou wellicht kunnen worden afgeleid dat hetzelfde heeft te gelden voor de matigingsbevoegdheid als bedoeld in art. 577b Sv nu in wettekst en wetsgeschiedenis van dit artikel contra-indicaties ontbreken;
- de rechtspraak van de Hoge Raad in herzieningsprocedures, waarbij de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk is verklaard en is gewezen op de matigingsbevoegdheid als bedoeld in art. 577b, tweede lid, Sv.