ECLI:NL:HR:2010:BJ3723
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proportionaliteit en procedure conservatoir beslag in strafrechtelijk financieel onderzoek
In deze zaak stond een klaagschrift ex artikel 552a Sv centraal tegen conservatoir beslag op banktegoeden in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). De beslagen betroffen aanzienlijke bedragen die waren gelegd op saldi van diverse bankrekeningen van de klaagster en betrokken ondernemingen.
De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard en geoordeeld dat het beslag rechtmatig was gelegd, gelet op het redelijk vermoeden van schuld aan misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Tevens oordeelde de rechtbank dat het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het beslag verzette en dat het beslag niet disproportioneel was, mede op basis van een mededeling van de rechter-commissaris over de hoogte van het vermoedelijke wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad behandelde in cassatie meerdere middelen, waaronder de klacht dat de rechtbank de proportionaliteit niet voldoende had getoetst en zich onterecht had gebaseerd op mededelingen van de rechter-commissaris. De Hoge Raad oordeelde dat het gebruik van dergelijke mededelingen geoorloofd is en dat de rechtbank niet verplicht is alle stukken van het SFO aan de raadkamer over te leggen. Ook werd bevestigd dat de enkelvoudige kamer bevoegd is wanneer de zaak van eenvoudige aard is, een oordeel dat niet in cassatie kan worden bestreden.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid en proportionaliteit van het conservatoir beslag en de procedurele afhandeling door de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid en proportionaliteit van het conservatoir beslag.