ECLI:NL:HR:2010:BK4179
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 12 januari 2010 uitspraak gedaan in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 maart 2008. De verdachte, die ten tijde van de aanzegging gedetineerd was, stelde middelen van cassatie voor via zijn advocaten.
De Hoge Raad overwoog dat het middel betreffende het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak niet tot cassatie kon leiden, evenals het tweede middel. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
Ambtshalve oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaar tot negentien jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gewezen door vice-president F.H. Koster en raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot negentien jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.