Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
14 maart 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin hij werd veroordeeld wegens bedrieglijke bankbreuk op grond van artikel 343 (oud) Sr. Verdachte was bestuurder en penningmeester van Stichting [A], later Stichting [B], die failliet werd verklaard op 4 oktober 2000.
Het hof stelde vast dat verdachte in de periode mei 1999 tot augustus 2000 niet voldeed aan zijn administratieve verplichtingen en dat de boekhouding ondeugdelijk was. Ondanks zijn wetenschap van de dreiging van faillissement heeft verdachte nagelaten maatregelen te nemen om de administratie op orde te brengen, waardoor de rechten van de schuldeisers werden verkort.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht voorwaardelijk opzet aannam. De bewezenverklaring was voldoende gemotiveerd en het middel faalde. De overschrijding van de redelijke termijn leidde niet tot rechtsgevolgen gezien de opgelegde taakstraf en hechtenis. Het arrest werd uitgesproken op 14 maart 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor bedrieglijke bankbreuk wegens het niet voeren van een deugdelijke administratie als bestuurder.