ECLI:NL:HR:2010:BK4994

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00231
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:170 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid voor creditcardfraude conform art. 6:170 BW

PeHa Holding B.V. werd door International Card Services B.V. (Visa) gedagvaard wegens een vordering van €60.121,46 met betrekking tot creditcardfraude. De rechtbank Alkmaar veroordeelde PeHa tot betaling van dit bedrag met rente en kosten. PeHa stelde hoger beroep in, waarop het gerechtshof Amsterdam het vonnis vernietigde maar PeHa alsnog veroordeelde tot betaling van een iets lager bedrag van €60.021,99.

PeHa stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen op grond van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee de aansprakelijkheid van PeHa Holding B.V. voor de creditcardfraude en veroordeelt haar in de kosten van het cassatiegeding, waarbij de kosten aan de zijde van Visa nihil werden begroot. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van vice-president J.B. Fleers.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van PeHa Holding B.V. voor creditcardfraude.

Uitspraak

12 februari 2010
Eerste Kamer
09/00231
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
PEHA HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V., tevens handelend onder de naam Visa Card Services,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als PeHa en Visa.
1. Het geding in feitelijke instanties
Visa heeft bij exploot van 9 februari 2004 PeHa gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar en gevorderd, voorzover in cassatie nog van belang, kort gezegd, PeHa te veroordelen aan Visa te betalen een bedrag van € 60.121,46, met rente en kosten.
PeHa heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 28 juni 2006 PeHa veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Visa te betalen een bedrag van € 60.121,46, met rente en kosten, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft PeHa hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 16 september 2008 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, PeHa veroordeeld tot betaling aan Visa van een bedrag van € 60.021,99 met rente en kosten. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft PeHa beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Visa is verstek verleend.
De zaak is voor PeHa toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt PeHa in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Visa begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 februari 2010.