ECLI:NL:HR:2010:BK6349
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsvoering met verklaring verdachte als getuige in medeverdachte zaak
In deze cassatiezaak heeft de Hoge Raad het beroep van verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het geschil betrof onder meer de vraag of een verklaring van verdachte, afgelegd als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, als bewijs mocht worden gebruikt. De Hoge Raad bevestigde dat een dergelijke verklaring, als deze uit enig wettig bewijsmiddel blijkt en de korte inhoud ervan conform wettelijke bepalingen is meegedeeld, tot het bewijs kan meewerken.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaar naar twee jaar en tien maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen, en het arrest van het hof werd vernietigd uitsluitend wat betreft de duur van de straf.
De uitspraak benadrukt de toepassing van de artikelen 301, 341 en 415 van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot bewijsvoering en de bescherming van het recht op een eerlijk proces. De Hoge Raad handhaaft hiermee de bewijsregels en waarborgt tegelijkertijd de naleving van redelijke termijnen in strafzaken.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.