ECLI:NL:HR:2010:BK8210
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wettelijke grondslag rookverbod in horeca en verwijst zaak terug
In deze strafzaak stond centraal of een horecaondernemer zonder personeel wettelijk verplicht was een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven in haar horecagelegenheid. De verdachte werd door het hof vrijgesproken omdat het hof oordeelde dat de Tabakswet geen duidelijke wettelijke basis bood voor deze verplichting.
De Hoge Raad onderzocht de interpretatie van artikel 11a lid 4 van de Tabakswet in samenhang met artikel 10 lid 1 en Pro lid 2. De Raad concludeerde dat artikel 11a lid 4 een toereikende wettelijke grondslag biedt voor de verplichting tot het instellen van een rookverbod zoals neergelegd in artikel 3 van Pro het Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten.
De Hoge Raad oordeelde dat het andersluidende oordeel van het hof onjuist was en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem voor hernieuwde berechting in hoger beroep. De uitspraak benadrukt het belang van een juiste wettelijke interpretatie van rookverbodsbepalingen in de horeca en bevestigt de verplichting voor horecaondernemers zonder personeel om een rookverbod te handhaven.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.