ECLI:NL:HR:2010:BL0612
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- W.F. Groos
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over toepassing art. 27 lid 1 Sr bij detentie in buitenland voorafgaand aan strafuitvoering
In deze zaak stond centraal of de tijd die de verdachte in Duitsland in detentie heeft doorgebracht op grond van een Nederlands uitleveringsverzoek, in mindering moest worden gebracht op de opgelegde gevangenisstraf. Het hof had nagelaten art. 27 lid 1 Sr Pro toe te passen, hetgeen de Hoge Raad corrigeerde.
De verdachte was op 19 juli 2005 in Duitsland aangehouden en vastgehouden in het kader van een uitleveringsverzoek vanuit Nederland. Bij de strafoplegging werd deze detentietijd niet in mindering gebracht. De Hoge Raad oordeelde dat dit in strijd was met art. 27 lid 1 Sr Pro, dat voorschrijft dat dergelijke detentietijd volledig in mindering moet worden gebracht.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de straf met drie jaar. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de strafoplegging betreft, verlaagde de straf tot twee jaar en acht maanden en beval de in het buitenland doorgebrachte detentietijd in mindering te brengen.
De Hoge Raad handhaafde het arrest voor het overige en deed daarmee wat het hof had moeten doen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en acht maanden en de in het buitenland doorgebrachte detentietijd wordt in mindering gebracht.