Conclusie
eerste middelwordt gesteld dat het hof het bewijs voor het aan de verdachte tenlastegelegde medeplegen van moord heeft aangenomen op verklaringen die afkomstig zijn uit één en dezelfde bron en daarbij ten onrechte is voorbijgegaan aan hetgeen door de verdediging in dit verband als verweer is aangevoerd.
voice notesvan [betrokkene 2] een gedetailleerd verslag van de gang van zaken rond de moord op het slachtoffer en de rol van de verdachte daarbij bevatten en dat de inhoud van dit verslag wordt ondersteund door (i) de als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van verbalisanten over de plaats waar en de toestand waarin het slachtoffer na de moord is aangetroffen en (ii) het als bewijsmiddel 2 gebezigde onderzoeksverslag over de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen. Deze overwegingen van het hof, die in de toelichting op het middel overigens in het geheel niet besproken worden, zijn niet onbegrijpelijk en als motivering van de verwerping van het door de verdediging gevoerde unus testis-verweer toereikend.
voice notesvan [betrokkene 2] dan ook zonder meer als relevante omstandigheid kunnen betrekken dat [betrokkene 2] zijn verklaring over zijn eigen betrokkenheid bij de moord op het slachtoffer en over de rol van de verdachte kort na de moord nog eens tegenover de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 7] heeft herhaald (zie de bewijsmiddelen 4 en 7). Al met al heeft het hof in het bestreden arrest voldoende duidelijk gemaakt waarom in deze zaak naar zijn oordeel aan de verklaringen van [betrokkene 2] grote bewijswaarde toekomt. Voor zover door de steller van het middel wordt betoogd dat het hof in zijn motivering te weinig gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat [betrokkene 2] en [betrokkene 7] hun voor het bewijs gebruikte verklaringen later hebben ingetrokken en de verdediging [betrokkene 1] niet over haar verklaringen heeft kunnen horen, stuit het middel af op de vrijheid van de feitenrechter in de selectie en waardering van de bewijsmiddelen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte niet op de voet van art. 31, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Curaçao (hierna: SrC) heeft bevolen dat de tijd die de verdachte in het kader van de onderhavige zaak in het buitenland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering wordt gebracht, althans dat het hof heeft nagelaten in zijn arrest bepaaldelijk te motiveren waarom het is afgeweken van een in dit verband door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
derde middelwordt geklaagd over een overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase.