ECLI:NL:HR:2010:BL1708
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid cassatieberoep inzake verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang
De zaak betreft een cassatieberoep van de Advocaat-Generaal bij het Hof tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang werd verleend voor de duur van zes maanden. De kernvraag was of het Openbaar Ministerie in cassatie kan optreden tegen de beslissing over de duur van de lijfsdwang.
Artikel 577c Sv regelt dat de raadkamer op vordering van het Openbaar Ministerie verlof kan verlenen tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang en dat bij toewijzing van die vordering de raadkamer de duur van de lijfsdwang bepaalt. Artikel 446 Sv Pro bepaalt dat het Openbaar Ministerie slechts beroep in cassatie kan instellen voor zover de vordering niet is toegewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat de tekst van artikel 577c, zesde lid, Sv duidelijk maakt dat de duur van de lijfsdwang niet onderdeel is van de vordering van het Openbaar Ministerie, maar een bijbehorende beslissing. Hierdoor is de vordering toegewezen zodra het verlof is verleend, en kan het Openbaar Ministerie niet in cassatie tegen de duur van de lijfsdwang. De wetsgeschiedenis biedt geen grond voor een ruimere interpretatie. Het beroep van de Advocaat-Generaal wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak benadrukt de ongelijkheid tussen de positie van het Openbaar Ministerie en de veroordeelde, die geen beroep kan instellen tegen de duur van de lijfsdwang, en wijst een extensieve uitleg van de wet af die het Openbaar Ministerie een ruimere beroepsmogelijkheid zou geven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens reeds toegewezen vordering.