ECLI:NL:PHR:2010:BL1708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van lijfsdwang als strafrechtelijke maatregel in het licht van artikel 7 EVRM
De zaak betreft de vraag of lijfsdwang, opgelegd op grond van artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering, als een strafrechtelijke sanctie ('penalty') in de zin van artikel 7, eerste lid, EVRM moet worden beschouwd. Tevens is aan de orde of de duur van de lijfsdwang beperkt moet worden tot de toen geldende maximale duur van zes maanden vervangende hechtenis voor feiten gepleegd vóór 1 maart 1993.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de wetsgeschiedenis van de ontnemingsmaatregel en de overgang van vervangende hechtenis naar lijfsdwang. De lijfsdwang wordt gezien als een vrijheidsbenemende maatregel die pas in de executiefase wordt toegepast wanneer volledige betaling van het ontnemingsbedrag uitblijft en verhaal op het vermogen niet mogelijk is gebleken. De procedure voor het opleggen van lijfsdwang is strafvorderlijk van aard en wordt door een strafrechter behandeld.
De Hoge Raad sluit aan bij jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name de arresten Welch, Jamil en Göktan, waarin vergelijkbare sancties als strafrechtelijke maatregelen zijn aangemerkt. De lijfsdwang voldoet aan de criteria van een 'penalty' omdat deze wordt opgelegd na veroordeling, door een strafrechter, en een aanzienlijke vrijheidsbeneming inhoudt.
Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat vanwege het retroactieve karakter van het EVRM en het Nederlandse strafrecht, de duur van de lijfsdwang voor feiten gepleegd vóór 1 maart 1993 niet langer mag zijn dan de toen geldende maximale duur van zes maanden vervangende hechtenis. De vordering tot verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang werd daarom beperkt tot zes maanden toegewezen.
Uitkomst: Lijfsdwang wordt als strafrechtelijke sanctie aangemerkt en de duur ervan is beperkt tot zes maanden voor feiten gepleegd vóór 1 maart 1993.