ECLI:NL:HR:2010:BL6555
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.C. van Oven
- C.H.W.M. Sterk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Verzoek om wraking van raadsheren wegens vermeende partijdigheid faalt
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren Van den Berge, Heisterkamp en Feteris die het arrest in zijn cassatiezaak zouden wijzen. Hij stelde dat deze raadsheren in eerdere uitspraken het bestuur en lagere rechter onterecht in staat stelden om het Europees recht niet-uniform toe te passen, wat volgens hem wijst op partijdigheid.
De wraking werd behandeld door de Vierde kamer van de Hoge Raad, waarbij de aangewezen raadsheren niet verschenen uit protest. De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:15 Awb Pro en artikel 29 Awb Pro, die onpartijdigheid als eis stellen.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde gronden onvoldoende zijn om te vermoeden dat de rechterlijke onpartijdigheid van de betrokken raadsheren zou zijn geschaad. Het feit dat zij in eerdere zaken een bepaalde rechtsopvatting hebben gevolgd, vormt geen grond voor wraking. Het verzoek werd daarom ongegrond verklaard.
De beslissing werd genomen door de president Corstens en raadsheren Van Oven en Sterk, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann op 5 maart 2010.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is ongegrond verklaard wegens ontbreken van een reëel vermoeden van partijdigheid.