ECLI:NL:HR:2010:BL8790
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid klaagschrift bij BTW-carrouselfraude na sepot
De zaak betreft een klaagschrift van klaagster tegen het voortduren van de inbeslagneming van mobiele telefoons, die op 21 januari 2004 op Schiphol in beslag zijn genomen in verband met verdenkingen van BTW-carrouselfraude tegen derden. De strafzaken waarin het beslag werd gelegd, zijn geëindigd in een sepot, waarna klaagster tijdig een klaagschrift indiende op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift ontvankelijk en oordeelde dat het beslag moest worden opgeheven omdat het strafvorderlijk belang was komen te vervallen. De rechtbank baseerde zich op het feit dat de strafzaak tegen degene onder wie het beslag was gelegd, voor het laatst bij die rechtbank was vervolgd, zodat sprake was van een vervolgde zaak in de zin van artikel 552a, derde lid, Sv.
Klaagster voerde in cassatie aan dat de rechtbank ten onrechte artikel 552a, derde lid, Sv had toegepast in plaats van het vierde lid, omdat niet was vastgesteld dat een rechter bij de zaak betrokken was geweest. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag en verwierp het beroep. De Hoge Raad bevestigde daarmee de ontvankelijkheid van het klaagschrift en het oordeel van de rechtbank dat het beslag moest worden opgeheven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van het klaagschrift en het opheffen van het beslag.